Het briljante "De vrouwen van Lazarus" van Marina Stepnova las ik ooit jubeljuichend: ik vond het een instant Russische klassieker, Nabokoviaanser nog dan veel boeken van de geniale Nabokov zelf. De nieuwe Stepnova, "Italiaanse les", viel mij aanvankelijk enigszins tegen: weliswaar bracht Stepnova ook in dit boek mij met de ene geniale prachtzin na de andere in niet geringe vervoering, maar ik kreeg gewoon de rode draad van het boek niet te pakken. Gaandeweg echter begon de springerige plot mij juist door zijn springerige ongrijpbaarheid te boeien, en begon ik ook de samenhang te zien, terwijl de prachtzinnen maar bleven komen. Dus las ik ook dit boek uiteindelijk met jubelende vrolijkheid uit, ondanks de enorme treurigheid ervan.
Het zou doodzonde zijn om ook maar iets te verraden van de zo prikkelend verrassende plotwendingen. En ook om veel te verklappen over de vele vernuftige verhaaldraden en hoe die tot een bijzonder kunstig verhalenweefsel zijn verknoopt. Maar een belangrijke draad is hoe de oudere arts Ogarjov de troosteloosheid van zijn Russische bestaan ontvlucht door met de veel jongere Malja tijdelijke idyllische momenten te beleven in het zo veel sprankelendere Toscane. Dat lijkt alle elementen in zich te dragen van een ranzig clichématige romcom, maar dat weet Stepnova goed te vermijden, op misschien een paar al te sentimentele zinnen na. Want voordat deze Toscaanse verhaaldraad zich ontrolt hebben we dan al gezien hoe verlangend de piepjonge Ogarjov steeds zoekt naar sprankjes schoonheid in het zo desolate alledaagse leven van het moderne Rusland van Poetin. Bijvoorbeeld in een mooie zin over hoe zijn vader, een zeer gehate en dictatoriale man voor wie alleen arbeid en grauwheid bestaat, al tuinierend aan die grauwheid ontkomt: "En dan stak zijn vader zijn spade in het tuinbed […], en op het gepolitoerde, amberkleurige handvat streek meteen een libel neer - met al zijn facetten, als een edelsteen, als om een trillende punt te zetten achter deze werkdag".
Dat soort fonkelende trillende punten zoekt Ogarjov steeds, soms zonder het te beseffen, en als hij ouder wordt vergeet hij de verlokking en verlossing van dat soort trillende punten. Maar Malja heeft op de oudere Ogarjov hetzelfde effect als de libel op de spade dat had voor de jonge Ogarjov: "Malja glimlachte, scheen de onooglijke wereld rondom bij". Niet voor niets doen bepaalde trekken van Malja hem ook weer denken aan een ontmoeting met onaangepaste dichters en dichteressen, vele jaren geleden. En daarover wordt gezegd: "Wat een gedichten hadden die lui, mijn god. Wat een gedichten. Onvoorstelbaar, dat deze afvalberg, dit Moskou van tweeënnegentig, midden in de grootste schurkentijd, midden in het niets, vier van deze jongens, leeftijdgenoten van Ogarjov, met hun hoofden in hun nek, zichzelf en God helpend met hun armen, deze woorden bezigden, de enige mogelijke van deze wereld, in deze mogelijke toverachtige orde, die alles als het ware zin verleenden, alsof die alles rechtvaardigden, de dood incluis, de armoede, het bedrog, de ijdelheid, van al wat was, en de toekomstige onsterfelijkheid. Dit was het ware heden, dat was het. Ogarjov begreep dat. Iedereen begreep dat". Prachtige passage, vind ik, die op aanstekelijke wijze jubelt over het vermogen van kunst en literatuur om een werkelijkheid te scheppen die zoveel mooier en zinvoller is dan de troosteloze werkelijkheid van de moderne Russische maatschappij. En met soortgelijke jubel kijkt Ogarjov ook naar Malja, in de Toscaanse zon: "Ogarjov had niet eens de tijd om de perziken en de fles netjes op het nachtkastje neer te zetten of Malja lag alweer, maar nu op haar zij - de Toscaanse zo trok een warme, stralende lijn om haar heen. Alsof God met zijn vinger door de lucht ging - en Malja daaruit gewerd."
De kracht en schoonheid van dit soort passages wordt voor mij nog vergroot door hun samenhang met eerdere passages. Bijvoorbeeld met de stukken waarin de desolaatheid van de moderne Russische maatschappij wordt neergezet. Niet in sociologische schetsen, maar in treffende sfeerbeelden over concrete personen: "Moeder werd nog somberder, stiller, deed of ze er niet was, als een kever die op zijn rug ligt". En die in sfeerbeelden zo pregnant opgeroepen desolaatheid maakt weer extra invoelbaar waarom de jonge Ogarjov zo snakt naar de alternatieve werkelijkheden die worden opgeroepen in literatuur en kunst. Bijvoorbeeld door de hierboven aangehaalde dichters. Maar ook door zijn kennismaking met werk van de Italiaanse meesterschilders, en bovenal door zijn steeds idolatere bewondering voor de klassieke Russische literatuur. Een bewondering die Stepnova ongetwijfeld ook zelf voelt, en voor ons als lezer in elk geval extra invoelbaar maakt door middel van allerlei vernuftige en prachtige verwijzingen naar Tolstoj, Nabokov, Boenin, Turgenjew, en anderen. Bovendien schrijft zij, voor mijn gevoel, volkomen Nabokoviaans: met dezelfde formidabele gevoeligheid voor schitteringen van schoonheid die normale mensen niet zien, en met hetzelfde ongehoorde compositorische talent om een voortdurend verrassende en toch prachtig samenhangende plot te maken. En daarin ook nog eens met vertelperspectief te spelen.
Ook in een ander opzicht is Stepnova volkomen Nabokoviaans: bij haar is, net als bij Nabokov, het verlangen naar schoonheid essentieel en levensreddend, ondanks dat die schoonheid alle kenmerken heeft van zinsbegoocheling en waan. De zinloosheid en leegte wordt in "Italiaanse les" wel zo overweldigend beschreven dat elke schoonheid en kunst daartegen weerloos lijkt. Ook lijkt Malja, in grote delen van dit boek, eerder een spook in Ogarjovs verlangende en verdrietige verbeelding dan een werkelijk bestaande persoon. Bovendien leidt de verhouding met Malja voor Ogarjov niet alleen tot enorme jubel, maar ook tot enorme wroeging en verdriet. Kortom, de schoonheid die literatuur hem biedt en de vervoering die Malja hem biedt zijn voor Ogarjov maar zeer ten dele een verlossing. En toch eindigt het boek met een gevoel van geluk: een bevrijdend gevoel weer te bestaan als mens, en het leven weer in al zijn pijnlijkheid en schoonheid te kunnen voelen. Misschien illusoir, dit geluk, maar heel essentieel. Misschien moeilijk voor de lezer om in dat geluk te geloven, maar enorm troostrijk en ontroerend opgeschreven. Voor mij althans wel.
Ondanks mijn aanvankelijke twijfels heb ik dit boek dus met veel plezier gelezen. Om te beginnen door de originaliteit van stijl en plot, en de schoonheid van de formuleringen. Bovendien door het aanstekelijke enthousiasme voor Italiaanse schilderkunst en klassieke Russische literatuur. Ook door het inspirerend beschreven Toscaanse levensgevoel, dat - zoals Stepnova het beschrijft- zelfs verzuurde doden nog jubelend tot leven zou wekken. En misschien nog het meest door het even wanhopige als fanatieke geloof dat kunst en schoonheid nog nieuwe sprankjes van zin en hoop kunnen opleveren, en nieuwe bevrijdende werelden van geluk en levensgevoel, zelfs voor iemand die leven moet in het Rusland van Poetin. Natuurlijk, het is maar een boek, en daar liggen Poetin en trawanten niet wakker van. Maar briljant geschreven is het wel. En juist daardoor, en door zijn schoonheid en zijn verlangen naar schoonheid, overtuigt het als anti-Poetin boek.