Een dertigjarige vrouw bezit een licht vervallen hotelletje in de bocht van een rivier. Ze heeft het geërfd van haar moeder, die ze nooit beter heeft willen leren kennen dan strikt noodzakelijk. Ze bestiert het hotel zonder enig enthousiasme. Wanneer een van de gasten overlijdt, haalt ze er de politie niet bij, maar vergrendelt de deur van de kamer. En ze sluit een verzekering af met de bedoeling de boel in brand te steken en met het verzekeringsgeld een hotel op Cuba te kunnen beginnen.
Maar dan komt er op een goede dag een nieuwe kok, die van pittig eten houdt en met al even pittige ideeën de sfeer in het hotel tracht te veranderen. Eindelijk lijkt er iets te gebeuren in haar leven.
Een nogal onwaarschijnlijk verhaal, dat zes dagen beslaat. Ik vond het eigenlijk vervelend om te lezen, maar toch net boeiend genoeg om het uit te lezen. Of misschien in de hoop dat het nog mooi zou worden. Er zitten wel fraaie passages in en de schrijfstijl vind ik ook wel mooi. Ik kan er de vinger niet goed op leggen wat me zo tegenstond in dit boek, maar vind het geen aanrader.
De hoofdpersoon is een jonge vrouw die een hotel van haar moeder geërfd heeft. Ze voelt zich erin gevangen en maakt er niets van. Ze is onsympathiek en dat maakt het voor mij moeilijk om me ermee te identificeren.