Monika van Paemel draagt de naam een ultra-feministe te zijn, en geregeld wordt haar ook het epitheton “mannenhaatster” toegedicht. Als je dit werk leest, zie je wel waar die kwalijke reputatie vandaan kan komen, maar terecht is ze zeker niet! Van Paemel schetst in dit boek inderdaad op heel pregnante wijze een patriarchale wereld waarin mannen de dienst uitmaken en vrouwen meedraaien, slaafs en dus medeplichtig; de mannenfiguren, en vooral de vader van hoofdfiguur Pamela, komen er niet fraai uit, maar ook de vrouwen kan je bezwaarlijk sympathiek noemen. Het lijkt me dat het de auteur vooral te doen is om het in beeld brengen van de machts- en onderdrukkingsmechanismen, en dat ze – met de aan literatuur eigen retorische overdrijvingen – al bij al een realistisch beeld schetst. Markant vond ik vooral haar haarscherpe focus op de tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid, de alomtegenwoordige hypocrisie.
Op die manier krijgen we een indrukwekkende evocatie van het Vlaanderen van de eerste helft en het midden van de twintigste eeuw te zien; wat mij betreft beklijvender dan in “Het verdriet van België” van Claus; overigens speelt net als bij Claus ook hier de oorlog een belangrijke rol. Moeilijk heb ik het wel met haar stijl. Die is op het randje van het experimentele. Je vindt in deze roman conventioneel-verhalende passages, maar ook innerlijke monologen, reportage-achtige episoden en tenslotte heel veel fragmenten met korte-associatieve zinnen in staccato-tempo. Die stijlverschillen verrijken uiteraard het verhaal (briljant bijvoorbeeld vind ik de passage in het eerste deel waarin op drie pagina’s een indringend beeld van het Vlaanderen van de jaren ’50 wordt gegeven), maar ze maken de lectuur ook erg moeilijk, vooral omdat er voortdurend heen en weer wordt gesprongen in de tijd, zonder dat de functie daarvan duidelijk wordt. Het is die gezochte stijl, denk ik, die maakt dat boek intussen helemaal weggedeemsterd is in de belangstelling. Spijtig, want inhoudelijk verdient dit boek beter. (2.5 stars)
Lang geleden gelezen en me erdoor geworsteld. Ik wou het lezen, want het werd in de jaren 80 voorgesteld als een feministisch boek, een tegenhanger van Claus vanuit vrouwelijk standpunt. Het is zeker in een rijke en intelligente taal geschreven, maar het was ook zwaar en intellectualistisch.
Een heel rijk en gelaagd boek, een opeenstapeling van verhalen en vooral een warme waterval van taal. De auteur verdeelt haar boek in een aantal delen, hierdoor kan er heel traag en vol genoten worden van dit coming-of-age verhaal dat veel meer wil zijn, ook een sachets van de tweede helft van de 20e eeuw, verwerking van twee oorlogen, vrouwenemancipatie en de eeuwige strijd tussen de seksen.
Een heel rijk boek; veel ideeën en reflecties. Maar heb het gevoel dat elke bladzijde stof biedt voor een apart boek van telkens totaal verschillende inhoud. Niet altijd te volgen van wie bepaalde gedachtespinsels komen en in welke levensfase. Wat verbeelding is en wat echt. Dit maakt het heel moeilijk te lezen.
'Ik wil langzaam leven. Alles laten bezinken. Nog eens bekijken. Vastleggen. Opschrijven... Ik wil het leven niet laten voorbijrazen als een sneltrein. Niet in een donker gat vallen. Als die uitgebeende mij wenkt. Met zijn sleutels rammelt. Zal ik treuzelen, nog eens aan een bloem ruiken. Naar de geliefde gezichten kijken. Een kilogram meikevers bestellen...'(p 382)