Tragisch boek over zelfdestructie. Hoofdpersoon Eva lijdt zozeer onder het verlies van haar relatie en haar schuldgevoel daarover dat zij eraan ten onder gaat. Bergsma schrijft in een stijl die rauw, grappig en compassievol tegelijk is. Knap wel. Bergsma slaagt erin om haar hoofdpersoon te laten vertellen wat een feest haar leven wel niet is en ons te laten begrijpen dat precies het tegenovergestelde waar is; en compassie voor haar tragiek te voelen in plaats van verachting.
”Ik ben niet geil. Ik verveel me alleen gewoon de tering.”
“Zo is dat Dostojevski, een beetje lichtheid, een beetje vrolijkheid. Alles is toch wel kut.”
Aantekeningen voor mijzelf gemaakt. Eén grote spoiler.
Eva is lerares en dichteres. Ze had een liefdevolle relatie met een man die haar chaos leuk vond en die haar met zijn stabiliteit in een veilig evenwicht hield. Zij kon alleen niet genoeg hebben aan dat evenwicht en ging vreemd. Hij ontdekte het, kon het niet verkroppen en verliet haar. Sindsdien raakt alles in haar leven uit balans met teveel drank, vooral dat, en veel en slechte seks. Seks met het schoolhoofd waar ze werkt, met een minderjarige leerling (leidt tot haar ontslag) en met andere dronkaards (de stamgasten van haar stamkroeg). Het drankmisbruik gaat van kwaad tot erger, ze verwaarloost zichzelf, maakt ruzie met iedereen en verliest zelfs haar postbodebaan. Regelmatig citeert ze uit een zelfgeschreven gedicht voor haar voormalige geliefde. Uiteindelijk gaat ze aan haar drankmisbruik ten onder. Op de allerlaatste bladzijde staat het gedicht in haar handschrift afgedrukt.
“Deze plek zou niet hoeven bestaan. De kale pleinen, de opgeborgen mensen. Alles lelijk en verdrietig. Niets van wat hier is zal door iemand gemist worden. Het hele tafereel met mij erbij kun je verfommelen en wegkiepen. Niemand zou er ooit een traan om laten.”
“Ik lig op de grond en drink bier. Mijn kamer is langzaam veranderd. Gezellig wel, alsof ik in een prullenbak woon. Een kliko met een lichtje erin. Vuilstortwonen.”
“‘Ben je niet bang dat de mensen je zien,’ bromt het uit mijn bed. ‘Ik ben bang dat de mensen me niet zien,’ antwoord ik.”
“(…) ik ben zo zat dat ik zen ben.”
“Ze denken dat geld de chemo is, dat hun huizen en auto’s en ti-ta-tovertuinen ze kunnen redden. Ze denken dat niemand ziet hoe het onder hun huid bobbelt. Ze denken dat ze er turquoise sjaals overheen kunnen trekken, of dat hun nieuwe pony het bedekt. Ze trachten het voorbij te racen in hun auto’s, weg te kopen in de winkels.”
Bergsma excelleert in nieuwwoorden die ze fabriekt door twee bestaande aan elkaar te smeden: onzinseks, manstructies, troepvoelen, trofeetrutje, gezichtsgreppels, stuntelstaan, walggenieten, welterustosteron, haastdorst, onzinkerel (hee die lijkt op onzinseks), huis-tuin-en-keuken-macho, wappermond, sterfdas, koopjeskop met kortingskapsel, wegwerpmensen, drankdapper, vuilstortwonen, territoriumneuken, dronkenaardig, wodkawelwillend, keelvingeren tot je klaarkotst, krijswijven, vakantiegevang, Eva en de alcoholadefabriek…