De stijle helling van de tijd. 35. Met een vork schepte hij, dat hij, zichtbaar genietend, met zijn lippen van zijn van zijn vork afplukte, waarna hij het langzaam naar binnen zoog. 98. De haan pikte niet, maakte geen geluid, viel alleen maar in mijn armen. Ik viel in zijn vleugels. Doodstil bleven de haan en ik, elkaar omhelzend, midden in het hok staan.
169. Ze had de Sandelijnstraat altijd beschouwd als laatste station voor de afgrond. Nu bleek zelfs de Sandelijnstraat een tamelijk fatsoenlijke straat. Het was of haar de voornaamste reden om ongelukkig, ontevreden te zijn werd ontstolen.