De zondvloed vertelt het verhaal van een jongen die opgroeit in Indië, zijn verblijf in een Japans gevangenkamp, het eerste contact met meisjes, zijn kostschooljaren in Nederland en uiteindelijk zijn eerste huwelijk. Maar het is vooral een roman over de invloeden die het leven richting geven en waardoor een persoonlijkheid wordt gevormd.
Jeroen Brouwers was a Dutch journalist and writer.
From 1964 to 1976 Brouwers worked as an editor at Manteau publishers in Brussels. In 1964 he made his literary debut with Het mes op de keel (The Knife to the Throat).
He won the Ferdinand Bordewijk Prijs in 1989 for De zondvloed, and in 1995 the Prix Femina for International works for his book Bezonken rood (Sunken Red). In 2007 he refused the Dutch Literature Prize (Prijs der Nederlandse Letteren) - the highest literary accolade in the Dutch-speaking world - because he considered the prize money of €16,000 too low for all his work.
It's really unfortunate this hasn't been translated in English. This book absolutely deserves a wider audience. Jeroen Brouwers (1940-2022) is one of the most renowned Dutch authors. Like no other he's able to paint the drizzly side of life. In this book 'The Flood' he does so in a masterful way. Especially stylistically this is succinct: the sentences are drenched in mud, expressing the ugly, horrible and misanthropic aspects of his protagonist, a man on the marginal side of society, wrestling with midlife, often thinking back to his youth in Indonesia (colonized by the Dutch) and in a dreary catholic boarding school in Holland. Perhaps this novel is a bit too long, not all chapters are on the same level, but it's a really marvellous reading experience! Dutch review below.
Van Bezonken rood wist ik al dat Brouwers lastige, humeurige, “onaangepaste” karakters kon neerzetten. Maar in “De Zondvloed” gaat hij toch nog een hele stap verder. De ik-persoon in deze roman cultiveert zijn onaangepastheid en legt daar ook alle gênante details van bloot. Brouwers plaatst hem letterlijk aan de zelfkant van de maatschappij, in een vervallen huis in een verzopen bos, tussen het afval, bijna voortdurend dronken en vechtend met zijn telefoontoestel, zijn storende verbindingslijn met de buitenwereld.
De ik-persoon is schrijver waardoor de autobiografische kant weer erg op de voorgrond komt en Brouwers andermaal zijn misantropische lusten kan botvieren op recensenten, uitgevers, de televisie enz. (dit is het zwakste deel van de roman). Ook het Indonesische verleden van de auteur komt volop aan bod: voortdurend zijn er erg gedetailleerde flashbacks aan zijn gelukkige jeugd in Balikpapan (nu Borneo) in 1947, gevolgd (en gecontrasteerd) door de donkere jaren op een katholiek pensionaat in Nederland.
De hoofdlijn in het verhaal (dat vrij complex is opgebouwd) is de poging van het hoofdpersonage, een uitvergrote Brouwers zeg maar, om zijn droomvrouw terug te vinden; sentimentele en vooral seksuele frustraties staan dan ook centraal, waarbij me opvalt hoe puberaal het vrouwbeeld is van de ik-persoon; Brouwers projecteert hem ook regelmatig als (fictieve) Nobelprijswinnaar op oudere leeftijd, die een uitgebreide voorraad jonge maagden aangereikt krijgt (de roman dateert van voor het Dutroux-tijdperk, toen het in sommige kringen nog goed stond te pleiten voor begrip voor pedofielen). In het algemeen waart het ik-personage door de roman als iemand die zich amper bewust is van de buitenwereld, met grote (meestal dronken) ogen de mensen rondom zich aanschouwt en voortdurend verkeerde inschattingen maakt.
Kortom, Brouwers heeft er wel een heel mooie (of zo je wil, lelijke) karikatuur van gemaakt. En dan lijken 760 bladzijden toch wel wat veel van het goede; en inderdaad, bij de zoveelste beschrijving van de troep in zijn huis, de zoveelste flashback naar de drek en het slijk in Indonesië of het terreurregime in het pensionaat, het voortdurende "gefriemel met zijn pik”, het willekeurig en wellustig lozen van zijn blaas in geëxalteerde situaties, enz…. bekruipt je wel eens het gevoel: moet dit nu echt? En zo uitgebreid en gedetailleerd?
Wel, merkwaardig genoeg, is dit keer mijn antwoord: ja! Het hoort erbij. Brouwers heeft van al dit lelijke, afschuwelijke en misantropische een literair pareltje gemaakt dat blijft boeien tot in zijn donkerste krochten. Ik word er zowaar lyrisch van. Neem nu het openingsstuk “Ararat”: dit is zo lucide geschreven, het zet onmiddellijk de juiste toon, en plaatst je meteen in de hel van Dante (de verwijzingen zijn niet alleen impliciet); ongeveer alle thema’s van de roman zitten er al in beknopte vorm in verwerkt. Voor mij is dit van een ongehoord hoog niveau in de Nederlandse literatuur.
En de tegenhanger aan het eind van het boek (ook Ararat genoemd), is perfect complementair: het herneemt alle thema’s, maar dan op zo’n verwaaide, irreële, dromerige manier, dat op dat moment duidelijk wordt dat de 600 pagina’s die tussenin lagen, één lange helletocht waren, één lange afdaling naar beneden, waarin het ik-personage almaar verder zijn greep op de werkelijkheid verliest en tenslotte (letterlijk) helemaal ten onder gaat. Bovendien slaagt Brouwers erin af en toe het niveau van Proust te evenaren in zijn erg gedetailleerde beschrijvingen van zijn Indonesische of pensionaatstijd; en zijn rondwaren door de stad op het moment dat hij beslist zijn gezin te verlaten en een nieuw leven te beginnen, komt aardig in de buurt van Joyce. Knap; beschouw me voortaan maar als Brouwers-fan. Al laten we nu ook niet overdrijven, niet alle 760 bladzijden zitten op zo’n hoog niveau, maar toch, voor een Nederlandstalig schrijver vind ik dit echt wel een prestatie om u tegen te zeggen.
Nog even dit: in de roman zit ook een filosofische onderlaag, waarbij Brouwers in postmodernistische zin peilt naar de relatie tussen taal en werkelijkheid, en vooral die tussen tijd en werkelijkheid. Regelmatig zijn er boeiende passages die dit in de verf zetten (vooral het in en buiten de tijd staan), maar ik heb de indruk dat Brouwers dit toch niet helemaal neerlegt. Wellicht is dit stof voor een van zijn volgende romans? Ik ben benieuwd. (mijn kwotering: eigenlijk verdient dit 3 1/2)
Ik sla mezelf voor het hoofd dat ik dit boek niet eerder gelezen heb. Ik heb bijna alles van Jeroen Brouwers verslonden - niet alleen zijn romans, maar ook zijn vele polemieken en korzeligheden - en om een of andere duistere reden is 'De zondvloed' me altijd ontsnapt. Maar wat een magnum opus is dit! Het hele Brouwersuniversum in één roman van 650 pagina's.
Kerngedachte is de zoektocht naar liefde die de ik-figuur (die wel Jeroen heet, maar daarom nog niet identiek is aan Brouwers) projecteert op Tikoes, zijn Indisch vriendinnetje van zeven, dat zijn kleuterleven op Balikpapan (Borneo) heeft opgefleurd na de treurige jaren in het jappenkamp (al beschreven in 'Het verzonkene' en 'Bezonken rood') en voor de al even trieste tijd op een Nederlandse katholieke kostschool (die we in zijn nieuwste roman 'Het hout' diepgaand leren kennen).
De tijd in Borneo is de enige tijd van zijn leven waarin de ik-figuur echt gelukkig is geweest. Daar heeft hij met Tikoes geravot, gespeeld, ontdekt hoe een meisje eruitziet, zijn 'orkestboom' gebouwd, ook wel zijn symfonion genoemd (een bouwsel dat hij later als gesjeesde schrijver zal overdoen in zijn verloederd bos en zijn beschimmeld boshuis waar hij zijn lege jeneverflessen in de bomen hangt om er de wind mee te laten spelen). Kortom, het geluk uit Borneo blijft een mooie herinnering waar hij eenmaal in Nederland geen recht meer op lijkt te hebben.
De rest van zijn leven blijft hij verlangen naar Tikoes. De hoop dat zij op een dag opnieuw zal opduiken als 'zijn geliefde' is het enige houvast waarmee hij het hoofd boven water houdt. Intussen mislukt zijn huwelijk, blijven zijn boeken in stapels onverkocht bij de uitgever liggen, raakt hij zwaar aan de drank en kunnen de enkele vriendinnen-van-één-nacht hem nauwelijks vreugde verschaffen. Zijn hele leven lang loopt de ik-figuur zijn pik achterna en grossiert hij in erecties en overvolle blazen. Intussen wordt hij ouder ("De dood is er voor oude en de liefde voor jonge mannen"), droomt hij zichzelf een hoogbejaarde Nobelprijswinnaar literatuur die alleen nog maar interesse heeft voor slapende maagdjes, en blijft hij tegen beter weten in dromen van zijn Nachtschade, de geliefde die hij als de reïncarnatie van Tikoes beschouwt.
Als een kaderverhaal zit het hele boek geprangd tussen tv-opnames voor de promotie van zijn nieuwste roman. Tussendoor is de heerlijkste verhaalstof geweven. Zo is er de ontsnappingspoging uit de kostschool, de Orpheusnovelle die hem literair eindelijk een doorbraak moet bezorgen, de ontmoeting met Nachtschade in een verlaten zomerhuis en het hilarische weekend in de uitgestorven uitgeverij. Je ziet het: een hoop verhaalstof waar woordkunstenaar Brouwers een heerlijke hutsepot mee kookt en die nooit verveelt.
Toch is het echte hoofdthema van dit boek - net als bij Proust's 'A la recherche du temps perdu' - de Tijd, of beter die 'dolgedraaide tijdmachine' waarin alles tegelijk gebeurt (of juist niet gebeurt - de blanco tijd). Om de haverklap gebruikt Brouwers het woord 'gelijkertijd'. Alles gebeurt nu: "Ik ben alleen 'ik' in het heden, - het ogenblik dat ik dit schrijf." Of elders: "Mijn schrijven is het enige dat echt gebeurt."
Een onwaarschijnlijke roman, die soms lijkt op een dollemansrit door heden, verleden en toekomst, en waarin Brouwers genadeloos afrekent met zichzelf en zijn omgeving, van Borneo naar kostscholen vol religieuze terreur, naar een pijnlijk kapotspringend huwelijk, naar een onverantwoord vochtig hol waar hij zwelgend met demonen en drankduivels vecht.
Geschreven in een meesterlijk, vanzelfsprekend proza, maar – en dat is het echte mirakel van dit boek – wat opbouw en symboliek betreft zo rijk en complex dat je hoofd ervan begint te tollen. Dat kunnen wel meer schrijvers, maar het wonder van Brouwers is dat hij dit hier bijna 800 bladzijden volhoudt op een manier die niet verwarrend of hermetisch is.
Dit boek is een soort van literair instrument, waarbij de verschillende delen en symbolen van het verhaal met snaren zijn verbonden met andere delen, en die snaren blijven tot het einde strak gespannen, want beroerd door een onnavolgbare maestro.
Van 1981 tot 1988 zou Brouwers aan dit meesterwerk geschreven hebben (met de hand, zo hoorde ik hem ooit verklaren tijdens een interview), maar in die periode verschenen (volgens zijn bibliografie op Wikipedia) nog 16 andere werken van zijn hand. Deftig. En ondanks de leeftijd komt dit ook nergens gedateerd over. Tenminste, aan de taal merk je niet dat het in de jaren 1980 werd geschreven. Ter vergelijking: ik las net de eerste 20 pagina's van Het Gevaar van Jos Vandeloo, en akkoord, dat is een boek uit 1976, maar Brouwers en Vandeloo contrasteren is bijna oneerlijk. Het kan zijn dat de kracht van die laatste eerder in de ideeën zit, maar stilistisch staat dit voor mij ettelijke treden lager.
Anyway, terug naar De Zondvloed: de taal is allesbehalve ontbeend, allesbehalve sober, maar komt nooit gekunsteld over. Dat doen ook de psycho-socio-eco-antropo-en-andere-logische bespiegelingen trouwens nooit, hoewel ze je vaak als lezer naar adem doen happen door hun inhoud.
Dit is een complex literair wandtapijt dat geweven wordt, en waarbij je als lezer IN de naald zit die op en over thema's, locaties, symbolen, beelden, personen, emoties en voorwerpen raast. En hoewel dit fijne taalkundige weefwerk uitzonderlijk grote literatuur is, gaat het hier niet echt over maatschappijkritiek (hoewel dat ook kan, zoals bij Houellebecq of Franzen of McEwan en wellicht talloze andere grote auteurs die ik nog niet heb gelezen).
In grote omtrekkende bewegingen cirkelt Brouwers eerder de hele tijd om zichzelf heen. Dit boek gaat om de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, weliswaar gelardeerd met bespiegelingen over tijd, ruimte, heden, verleden, herinneren, voorspellen en andere filosofieën.
De structuur en thematiek van dit boek analyseren op een academische manier zou een waanzinnig werk zijn, aangezien er constant gesprongen wordt tussen momenten in de tijd, tussen locaties en tussen thema's en symbolen, vaak zelfs binnen paragrafen of zelfs zinnen. Deze symboliek van een hogere orde helemaal analyseren zou ze een stuk kapotmaken, dit bladerdeeg van betekenissen consumeer je als lezer best in zijn geheel.
Eén citaat als voorbeeld:
"Bovendien ben ik aan mijn herinneringen steeds nieuwe, andere, blijven toevoegen, waarvan ik ten slotte niet meer weet of ze nog wel betrekking hebben op mijn ontmoeting met Nachtschade en op ons verblijf in dat huis bij de zee. Wat ik zoal schrijf is verworden tot een woekering van teksten boven op teksten, teksten vervlochten en verkluwd met andere teksten. Een zondvloed van associaties, reminiscenties, beschrijvingen en voorstellingen, allemaal in relatie tot de gekte die mij heeft bevangen: mijn verliefdheid die ik niet kan uitspreken tegen degene die haar geldt, tenzij in onwerkelijke zin, in de vorm van geschreven woorden. Alsof ik hoop dat het voorwerp van mijn liefde mijn monstrum van een boek ooit zal leven en daarna overtuigd zal zijn van mijn hartstocht voor haar, vertederd en gevleid om hoe ik door haar werd bezield."
Ik heb mij laten overspoelen door deze vloedgolf en zal dit niet licht vergeten.
Dit was de derde keer dat in een boek van Brouwers las. Ik voelde me al vertrouwd met zijn werk en had dus wel enige zwartgalligheid verwacht. In “De Zondvloed” haalt dhr. Brouwers echter zijn meest misantropische zelf naar boven. Een bijzonder donkere en pessimistische manier om naar de wereld te kijken en dat werkte ongelofelijk op mijn gemoed. Zoals gewoonlijk speelt hij met woorden en zinnen als een tovenaar, maar “De Zondvloed” kon me desalniettemin niet bekoren. Te chaotisch, te zwaarmoedig... echt een lastig boek om te doorworstelen.
Het is voor een groot stuk autobiografisch. Er komen regelmatig heel mooie passages in, vooral de stukken over zijn kindertijd in Indië zijn beklijvend. Maar dat neemt niet weg dat ik elke avond met meer tegenzin zijn boek vastnam en steeds vaker diagonaal over de bladzijden ging. Het boek is te chaotisch en te somber om je in te leven of om je een leuke leeservaring te geven. Beetje zonde aangezien dit net het boek is dat men ophemelt als zijn “magnum opus”.
Misschien ligt het deels aan het feit dat het sowieso al lastige tijden zijn en de coronamoeheid fel de kop op steekt. In zo’n dagen lees ik liever een meeslepend verhaal met hier en daar wat lichtpuntjes.
'Stilte overal. Om je heen staan de vochtige muren van het huis in het vochtige bos, waar je nu opeens, jaren na dato, je leven in de vorm van scherven, puzzelstukken, filmbeelden, herinneringen, stemgeluiden, gespreksflarden, romanfragmenten in je voelt bovenkomen, als in beweging gebracht door een zondvloed die alles wat verzonken is geweest naar de opervlakte tilt.' (p. 251)
Een magistrale Brouwers die schrijft over de (on)betrouwbaarheid van herinneringen, over vergeten en drank, over Indië en Nederland, over het schrijven, gefaalde liefde en gekrenkte mannelijke seksualiteit. Vooral de eerste helft is een aaneenschakeling van haast perfecte, soms aforistisch aandoende passages. Daarbij laat Brouwers herhaaldelijk dezelfde metaforen terugkeren die de plasticiteit van tijd en ruimte aantonen: evenaar, labyrint, wit. Beter dan deze trefwoorden laten we de schrijver zelf samenvatten:
'Toch is er, ergens toen, wel degelijk iets als een ketting aan mij vastgemaakt en blijk ik op een of andere manier, maar wel voor de duur van mijn hele leven, te zijn vastgeketend aan 'dit' dat gelijkertijd 'dat' is, aan 'hier', dat gelijkertijd 'daar' is, aan het ene ik, dat gelijkertijd het andere ik is, en dat is verdwaald in allerlei tijden die bijvoorbeeld te benoemen zijn als verleden tijd, tegenwoordige tijd, toekomstige tijd, - al deze tijden zijn één en dezelfde tijd. (Dit begrijpt de interviewster niet.)'
'De Zondvloed' geeft een geniale impressie van de zondvloed aan verwarrende, bevreemdende, instinctieve, dwingende, gedwongen getaalde en gevisualiseerde hersenspinsels waarmee een individu moet zien te leven zodra dit individu de fase van kinderlijke verwondering, naïviteit en vorming gepasseerd is. Zodra men hierover begint na te denken houdt men zelf deze vloed in stand en versterkt en (ver)vormt men deze - of lijkt dit slechts zo?
Meteen na de prachtboeken "Het verzonkene" en "Bezonken rood" las ik "De zondvloed", het op deze boeken volgende derde deel van Brouwers' Indië- trilogie. Brouwers zelf vond dit zijn beste werk, waarin hij "Het verzonkene" en "Bezonken rood" samenvatte en overkoepelde, en diverse recensenten bejubelden het als Brouwers' meesterstuk. Anderen echter vonden deze ruim 750 bladzijden dikke turf te larmoyant, te ongrijpbaar, te cryptisch, (veel) te dik, en (veel) te vol met herhalingen. Zelf heb ik soms ook stevig met "De zondvloed" geworsteld, veel meer dan met "Het verzonkene" en "Bezonken rood". Maar tegelijk werd ik vaak totaal omver geblazen door de taalpracht, door de rijkdom aan associaties en motieven, en door de bijna mythische kracht van Brouwers' beelden. En diverse passages in "De zondvloed" vond ik daardoor nog indringender dan de hoogtepunten in "Het verzonkene" of "Bezonken rood".
Hoofdpersoon en ik- figuur van "De zondvloed" is Jeroen Brouwers, net als in "Het verzonkene" en "Bezonken rood". Door zijn nauwelijks samen te vatten veelheid aan verbrokkelde, door elkaar lopende, en soms elkaar kruisende en zich vermengende verhaallijnen is "De zondvloed" echter wel heterogener en gefragmenteerder dan die eerdere boeken. Ook zijn veel passages grilliger, surrealistischer, droomachtiger, associatiever: vol van ongeremde verbeeldingskracht, vol fantasievolle beelden die het raadsel van de wereld vergroten. Wat nog wordt versterkt door de wijze waarop die passages elkaar herhalen, in een ander licht plaatsen, aanvullen of juist tegenspreken. Ja, Brouwers put ruimschoots uit zijn eigen leven: zijn prille jeugd in Indië, zijn naar de strot grijpende beklemming in een katholieke kostschool, zijn adembenemend ongelukkige eerste huwelijk, zijn gepassioneerde maar helaas maar tijdelijke verhouding met een andere vrouw, zijn eerste ervaringen met het schrijverschap, een tv- interview over dat schrijverschap, zijn talrijke gevoelens van zelfhaat en levenswalging, zijn vele wanhoopgevoelens en aanvechtingen van dranklust, en zo meer. Maar al die autobiografische elementen zijn tot meerduidige raadsels uitvergroot door zijn verbeelding, en zijn door die verbeelding vervormd, verrijkt, van nieuwe metaforische of mythische ladingen voorzien, en in nieuwe associatieve ketens van motieven opgenomen. Bovendien heeft hij mogelijk ook van alles verzonnen, juist om het motievenweefsel van zijn roman rijker te maken, en zijn autobiografie in een rijker weefsel te kunnen inbedden. Zodat hij zijn levensloop herschept in een meerduidig kunstwerk.
De (getrouwde) vrouw met wie hij een gepassioneerde affaire had noemt hij bijvoorbeeld "Nachtschade", en hij voert haar op als de incarnatie van een allang gekoesterd verlangen en van een in zijn fictie al veel eerder geëvoceerd droombeeld. "Soms droomde ik van een onderwaters kristallen paleis: daar woonde mijn geliefde, die ik het meest miste van alles dat ik miste", zegt hij, en later herkent hij deze geliefde: Nachtschade. Veel later in "De zondvloed" wordt Nachtschade dan ook als een soort onderwaterse koningin beschreven, in termen die herinneren aan het mythische, maar verzonken en verloren en dus betreurde Atlantis. Maar ook als een fictief wezen dat in essentie vloeibaar en ongrijpbaar is: "Zo komt zij als uit in water en wolken geschreven hiëroglyfen opnieuw te voorschijn en in het leven van de schrijver". Die laatste zin resoneert in mijn beleving bovendien sterk met een zin veel eerder in het boek: "In water geschreven en dus onbestaande, zo is de waarheid". En ook met zinnen als: "Liefde is louter verbeelding en bestaat alleen in de kunst. Misschien ben ik daarom schrijver geworden". Objectieve en vast staande waarheid lijkt bij Brouwers niet te bestaan: ook een naar feitelijkheid strevende autobiografie zou dus "in water geschreven" zijn. Maar in "De zondvloed" vergroot Brouwers dat nog uit, door zijn geliefde "Nachtschade" te noemen en niet bij haar echte naam, door haar als een mythisch onderwaterwezen te evoceren, door zichzelf als een soort Orpheus op te voeren en haar als een soort Eurydice, en door haar op allerlei manieren voor te stellen als droombeeld dat alleen kan bestaan in het mateloze verlangen en de grillige verbeelding van de schrijver. Dat alles maakt Nachtschade onwerkelijker dan dat zij in een conventionele autobiografie zou zijn geweest. Tegelijk groeit ze in "De zondvloed" precies daardoor wel uit tot een naar mijn smaak magnifieke personificatie van Brouwers' grenzeloze, intens wanhopige en onblusbare liefdesverlangen. Bepaalde belevenissen uit Brouwers' leven, die in een conventionele biografie misschien best ontroerend zouden zijn geweest, worden dus omgewerkt tot indringende kunst. Tot fictie, die rijker is en geschakeerder dan de werkelijkheid. En die, misschien, dieper graaft in de onbewuste regionen van Jeroen Brouwers' grillige brein. Dieper dan een "waarheidsgetrouw" verslag van zijn leven zou doen.
De naam "Nachtschade" roept bovendien associaties op met vergif, en die zijn niet toevallig: "Als ik aan de dood denk, denk ik aan nachtschade, en omgekeerd, ik denk alleen nog maar aan mijn geliefde, de dood, de dood, mijn geliefde, - ik verlang beurtelings naar allebei. Ik zou enige tijd uit mijzelf afwezig willen zijn, doorbrengend in een soort comateuze slaap, als een pop met slaapogen, - als ik daaruit ontwaak ben ik iemand anders". Het verlangen naar Nachtschade is dus deels ook het verlangen naar de dood, het ultieme Niets, het niet- zijn dat hem van zijn kwellende bestaan verlost. Een verlangen dat ook voelbaar wordt in de vele passages waar de ik- figuur alles uitgomt wat hij schrijft, of waarin hij het schrijven vergelijkt met een afdaling in het Niets. Of in de passages waarin de ik- figuur ervan droomt een Orpheus te zijn die niet zozeer de dood van Eurydice ongedaan maakt, maar die alles wat gebeurt opheft en verandert. Het verlangen naar niet- zijn of anders- zijn is in "De zondvloed" kortom op vele pagina's manifest. Nachtschade symboliseert ook dat verlangen. En ook dat maakt haar naar mijn smaak tot een droomgestalte die krachtiger is dan de werkelijkheid.
Bovendien bevat dit boek veel mooie passages over "tikoes", Brouwers' Indische jeugdvriendinnetje met wie hij een intense "voorkleuterse" tijd beleeft, een soort - inmiddels helaas verloren- gelukzaligheid die voorafgaat aan het conventionele denken en de taal van de volwassenen. Waar Nachtschade associaties oproept met het niet- meer- zijn, roept tikoes associaties op met het nog- niet- zijn, met de prille paradijselijke tijden waarin het voor Brouwers zo vreselijke bestaan nog geen vaste vorm had. De piepjonge Brouwers en tikoes (consequent geschreven met kleine - t) communiceren in "de taal die wijzelf maakten en alleen wijzelf begrepen, dit is de taal uit het paradijs van vóór de zondvloed". Dit is dan ook een taal "die geen woorden nodig heeft", een "taal die zo helder is als de regen" en "die zij spreekt met haar handen". Ook opmerkelijk is dat de zo jonge Brouwers en tikoes "kinderen van het paradijs in een verder platgebombardeerde wereld" worden genoemd: de Japanse bezetting heeft zijn sporen nagelaten, en het paradijs is al bijna een verloren paradijs. Het verlangen naar het ongerepte maar verloren paradijs, dat ook in "Het verzonkene" en "Bezonken rood" zo manifest was, krijgt in "De zondvloed" vooral mooi gestalte in de passages over de vriendschap met tikoes. Maar dit personage werd in de vorige delen niet genoemd. In "De zondvloed" lijkt de ik- figuur Brouwers bovendien vaak te twijfelen of zijn herinneringen tikoes niet hebben vervormd, of tikoes wel echt zo heette, en soms zelfs of ze wel echt bestond. Ze is dus op zijn minst vervormd door de verbeeldingskracht van de ik- figuur, en misschien is zij zelfs geheel en al fictief en dus uit die verbeelding ontstaan. Zij is dus niet een eenduidig autobiografische figuur, net zo min misschien als Nachtschade. Maar ze personifieert wel op ongehoord indringende wijze een verlangen naar paradijselijke zuiverheid. En juist dat verlangen is zo wezenlijk voor Brouwers. Dat verlangen, zo neem ik aan, kenmerkte hem ook als mens. Maar alleen als schrijver, met inzet van al zijn verbeeldingskracht en stijlvermogens, kon hij dit verlangen zo indringend in beelden vatten. Niet door een bestaand jeugdvriendinnetje feitelijk te beschrijven, maar door haar in zijn fantasie te herscheppen of zelfs geheel te verzinnen. Wat hier telt is dus niet de getrouwe weergave van Brouwers' leven, maar de kracht van Brouwers' fictie.
In zijn mooie Brouwers- boek "Eenzaamheid in eindeloos meervoud" ziet Lodewijk Verduijn een interessante parallel met Proust, en met Prousts opvatting dat juist de romancier ons in zijn fictie een blik gunt op zijn 'diepe ik' . Niet door letterlijk en feitelijk over zijn eigen leven te schrijven, maar door zijn verbeelding aan het werk te zetten en zo de diepere lagen bloot te leggen van hoe hij denkt, kijkt, droomt en voelt. Door al schrijvend zijn obsessies te onderzoeken, en daarin verder te gaan dan wijzelf doorgaans durven te gaan in een gesprek of een egodocument. Door alles wat vast lijkt te liggen vanuit geheel nieuwe perspectieven te bekijken, en met onconventionele stijlmiddelen opnieuw te beschrijven, zodanig dat ook het eigen zo vertrouwd lijkende ik als een nieuw veelvormig raadsel naar voren komt. Ik vat het nu wat kort door de bocht samen, maar dat was ongeveer de insteek van mijn grote held Proust, en mede daarom vond hij dat het leven nergens zo intens werd geleefd als in de literatuur. Misschien is de inzet van Brouwers daarmee inderdaad wel vergelijkbaar. Zelf vond ik het in elk geval heel aantrekkelijk om "De zondvloed" te lezen als de evocatie van Brouwers' diepe ik. Juist omdat dit 'ik' steeds raadselachtiger en veelkantiger wordt naar mate het boek vordert, juist omdat ikzelf als lezer steeds dieper in een wereld vol mysteriën werd gezogen die ik niet begreep maar die mij wel steeds sterker fascineerde. En vooral omdat personages als tikoes en Nachtschade zo mooi de kracht van fictie laten zien, en daardoor een rijker en geschakeerder beeld oproepen van Brouwers' verlangens dan welke biografie ook.
Ik zei eerder al: het is onmogelijk om de vele in elkaar grijpende verhaallijnen en motieven van deze roman ook maar benadering samen te vatten. Even onmogelijk is het om goed te laten zien hoe alles met alles samenhangt in deze roman, en hoe de ik- figuur in diverse droomachtige passages zowel de jongen van toen is als de man van nu of van nog later, hoe hij zowel hier is als elders, en hoe alles zowel dit is als dat. En hoe hijzelf gesplitst is in tientallen ikken, die beurtelings als ik- figuur of als hij- figuur worden opgevoerd. Ook het beeld van de wereld is vaak gesplitst in tientallen perspectieven, die de ik- figuur (of hij- figuur) allemaal wil omvatten: "En weer dit beeld: iedere waterdruppel is een scherfje, in ieder scherfje wordt alles weerspiegeld, alle druppels spiegelen zich in elkaar en ieder golfje geeft, voordat het voorbijkomt, de spiegelingen door aan water dat komt aanvloeien". Die veelvoudigheid fascineerde mij behoorlijk. Zeker in combinatie met Brouwers' uitzinnige verbeelding, zijn prachtige taal en zijn soms surrealistische beeldenvloed. En ik ken niet heel veel romans die zo bol staan van zulk aanstekelijk beschreven verlangen. "De zondvloed" was kortom een leesfeest, ook al kostte het mij de nodige zweetdruppels. En met Jeroen Brouwers ben ik nog lang niet klaar.
Dat Jeroen Brouwers een roman kan schrijven, weten we. Brouwers heeft een onnavolgbare stijl. De stukken over Indonesië hebben mij het meest kunnen bekoren. Voor de rest een beetje te veel navelstaarderij en zwartgalligheid. Maar dat zal de bedoeling was geweest zijn, veronderstel ik.
Aan Jeroen Brouwers’ “De zondvloed” heeft men als lezer een hele kluif. Het is een dikke pil –de door mij gelezen uitgave telt maar liefst 764 bladzijden–, die overvloedig en afwisselend is van inhoud maar zich lang niet altijd even gemakkelijk laat lezen. Men krijgt een en ander allerminst cadeau, als lezer, enig doorzettingsvermogen is vereist. Voor zover de inhoud van “De zondvloed” kan worden opgevat als een vertelling, lijkt die voor een aanzienlijk deel te kunnen worden teruggevoerd op Brouwers’ eigen levensverhaal – dat men overigens geenszins in strikte chronologie krijgt gepresenteerd. Hij schreef “De zondvloed” tussen 1981 en 1988, globaal bezien halverwege zijn leven (1940-2022). Bij wijze van al te onbescheiden sollicitatie wordt de protagonist-schrijver, bijkans tot vervelens toe, aangeduid als latere Nobelprijswinnaar, maar als veertiger kan de auteur Brouwers zelf te dien aanzien alleen nog maar een ijdele hoop koesteren en moet hij zich beperken tot de beschrijving van een drietal levensfasen die hij in die periode daadwerkelijk heeft doorlopen: die van zijn gelukkige jaren als zes-, zevenjarige jongen in Indië (allengs minder Nederlands-Indië), die van zijn ellendige jaren als prepuber en puber op een hem verstikkend rooms-katholiek internaat, en die van zijn leven als (jong-)volwassene, in een faliekant mislukte huwelijksrelatie en als beginnend schrijver. Het fascineert allemaal, wat Brouwers hierover in concrete bewoordingen te berde brengt. Edoch, zoals hierboven al aangegeven maakt de auteur het zijn lezers bepaald niet gemakkelijk de desbetreffende verhaallijnen te volgen. Brouwers neigt voortdurend naar verregaande hoogdravendheid en symboliek, en demonstreert in feite een sterke afkeer van eenduidigheid. Telkenmale verschuift, vervloeit, verspringt er van alles met betrekking tot plaats en ruimte, tijdsbestek, identiteit (ik, ik-ik, je, hij); werkelijkheid maakt al te veelvuldig plaats voor droom, fantasie, visioen, illusie, verbeelding, herinnering of vermeende herinnering, associatie, voorstelling, enzovoort. Het bestaande, het mogelijke en het onbestaande plegen in elkaar over te lopen, het is een en al tegendeel waarmee de lezer wordt geconfronteerd: binnenstebuiten, ondersteboven, achterstevoren, heen en terug, onder en boven water, bewustzijn en afwezigheid van bewustzijn, (foto-)negatief en positief. Keer op keer ook wordt iets wat is geschreven of getekend weg gegumd, uitgegumd. Wat het leesplezier, in ieder geval het mijne, evenmin ten goede komt zijn Brouwers’ breedsprakigheid en zijn irritante gewoonte om in dialogen woorden te ontdoen van hun, al dan niet laatste, letter of letters, alsook zinnen van een of meer woorden. Al te vaak maakt de auteur zich ook schuldig aan herhalingen, welke een zekere fascinatie weerspiegelen voor uiteenlopende zaken als schelpen, spiegels, decors, spijkers en stromende, fladderende, wapperende linten, slierten en slingers. Van een duidelijke preoccupatie, om niet te zeggen bezetenheid, is sprake ten aanzien van flessen jenever en ten aanzien van de toestand waarin het geslachtsdeel van de protagonist zoal verkeert (waarnaar Brouwers trouwens meestal verwijst in meervoudsvorm, geslachtsdelen, wellicht op te vatten als het complete klok- en hamerspel). Toch wil ik niet nalaten deze recensie positief te besluiten. Brouwers kan goed vertellen en hééft ook wat te vertellen. Daarbij weet hij parallellen te trekken tussen gebeurtenissen en ervaringen uit de verschillende levensfasen die in “De zondvloed” aan de orde zijn, en bezorgt hij zijn lezers het idee dat ze de auteur, ondanks alles, wat beter hebben leren kennen. En de wijze waarop hij diverse scènes uit de kindertijd beschrijft is vertederend. In contrast hiermee zet hij op een aangenaam brutale, uitdagende manier uiteen hoe de protagonist met de uiteindelijk vergeefs begeerde liefde van zijn leven tijdens een sneeuwstorm inbreekt in een op dat moment verlaten, niet-gebruikte vakantiewoning – zoals de recentelijk overleden Bertrand Blier dat zijn hoofdpersonen liet doen in het door hem geschreven en (met Patrick Dewaere en Gérard Depardieu) verfilmde “Les Valseuses”. Misschien heeft Jeroen Brouwers die roman niet gelezen, maar ik maak me sterk dat hij in de jaren zeventig de geruchtmakende film zal hebben gezien…
Terbit matahari. Wat kan Jeroen Brouwers schrijven. Het is een beest van een boek, een beschrijving van een groot delirium met alle herhalingen, fragmentatie, tijdsverschuivingen die horen bij een afdaling in een malend brein, de hel van een onaangepaste misantroop. Niet alles is even goed: het deel dat de kostschooltijd van de protagonist en zijn poging tot ontsnappen beschrijft was nogal uitgesponnen. Maar de laatste delen maakten weer veel goed: grotesk, bijna hilarische scenes maar met zinnen die blijven drijven in de drek van het malende brein van de hoofdpersoon, en een prachtige epiloog. Geen vrolijke kost, wel zeer de moeite waard, alle 650 bladzijden: en zeker de Balikpapan hoofdstukken! Hoofdstuk 2 van het Symphonion waar de hoofdpersoon als jongetje in Balikpapan de klopjacht op een Indonesische vrijheidsstrijder meemaakt hoort tot het beste wat ik in de Nederlands talige literatuur heb gelezen. Een briljant maar vermoeiend boek zoals een eerdere reviewer schreef...
500 pagina’s doorworsteld, nog 300 te gaan, maar nee, hier geef ik het op. Voor mij mag het wat meer verhaal en iets minder stijl zijn. Ellenlange pagina’s waar er volop jenever gezopen wordt en misschien ergens een telefoontoestel verstopt wordt? Het gedeelte over zijn jeugd in Indonesië kon me nog een beetje boeien, maar was op de duur ook zo uitgesponnen. Hij slaagt er wel goed in om zich (als in zijn literaire zelf) zo onsympathiek mogelijk voor te stellen. Dat is wel een prestatie.
Een hele pil, dit boek. Ook geen verhaal om achter elkaar uit te lezen. Maar toch gelukt. Het gaat over een jongen, die zijn jonge jaren in Indonesie doorbrengt en ook in een Jappenkamp terechtkomt. Ongeveer op zijn 7e gaat hij naar Holland. Daar gaat hij naar kostschool, wat bepaald geen pretje is. Hij maakt kennis met de meisjes en we lezen over zijn eerste huwelijk.
Kanonne wat een roman 🤩 Iemand trok de vergelijking met een dollemansrit. En zo beleefde ik het. Geen moment heb ik mij verveeld, ookal kwamen dezelfde thema's telkens weer voorbij in deze calypso van tijd, ruimte en herinneringen. Wat een grandioze schrijver was Brouwers. 5 dikke sterren met een !
Voor velen een meesterwerk maar zijn avonturen als kind in Indië en huwelijksperikelen met Laura hebben mij niet echt kunnen boeien, ondanks de mooie schrijfstijl. ‘t Was dus een gevecht om het boek uit te lezen.
Een bezwerende symfonie. Met terugkerende thema’s (identiek of aangepast), met wisselende ritmes. Vol filosofische bespiegelingen over tijd, liefde, het Leven. Stijlrijk. Een heel speciale leeservaring.
"Alles is één en dezelfde gebeurtenis die ik, als ik haar later vertel, ook wel eens in een andere volgorde vertel, of in een andere context plaats, of heel anders vertel, zonder dat er iets aan verandert, of dat dat mijn herinnering eraan anders weergeeft dan zoals zij is."
Met regelmaat absoluut geniaal, maar als geheel langdradig en teleurstellend. Brouwers behoort tot mijn favoriete schrijvers, maar zijn langere romans hou ik voorlopig -- dan niet voortaan -- aan de kant.
Deze sleutelroman blijft na al die jaren overeind als het meesterwerk van Brouwers. Zeer wijdlopend (bijna 800 bladzijden) en bijna onmogelijk autobiografisch - wat zijn 'echte' herinneringen aan kinderjaren in Nederlands Indië en wat is verzonnen of vervormd door de tijd? Maar dat doet er eigenlijk niet toe in een roman. Blijft de overdadige breedvoerigheid. De passage over de 'ontsnapping uit het internaat' gaat eindeloos door, bladzijden en bladzijden na elkaar, terwijl er eigenlijk niets gebeurt. Je leest ademloos verder omdat Brouwers weet wat schrijven is. Maar toch. Waarom de in 1985 verschenen novelle 'De sprong' een onderdeel van het boek geworden is, mét uitbreiding, zal alleen de auteur weten. Kill your darlings, denk ik dan. De ongebreidelde wijdlopendheid maakt het boek fragmentarisch en beklemtoont de loodzware ernst die soms van de bladzijden druipt. Het verhaal van Nachtschade waarmee het boek eindigt (eindelijk geluk in de liefde) weegt niet op tegen de wondermooie beschrijvingen van het leven in Balikpapan met Melati ('tikoes'), het inlandse meisje dat even oud is als de schrijver en zowat zijn spiegelbeeld is: Tikoes en ik, ik en tikoes, - wij beginnen te praten, en al spreekt zij mijn taal niet, en ik de hare niet, wij spreken één en dezelfde taal die ontstaat terwijl wij hem spreken.