Met dit boek heeft Mark Van de Looverbosch een indrukwekkend overzicht afgeleverd van de afgelopen vijftien jaar Vlaamse politiek. Vlaams inderdaad, want Waalse politici komen in het verhaal slechts als randfiguren voor – alleen als helpers van, of vaker, als obstakels voor de Vlaamse politici. Deze focus verraadt gelijk al een belangrijk kenmerk van de Belgische parlementaire verslaggeving, namelijk de eindeloos diepe kloof tussen de taalgebieden, zelfs als het over het federaal parlement gaat.
Het boek begint met de dioxinecrisis en voert ons via de ontbinding van de Volksunie (iets dat bij mijn weten voor het eerst alomvattend is neergeschreven), de interne partijpolitiek in de Open VLD, CD&V, Vlaams Blok/Belang en sp.a, door alle regeringscrises die de politiek de afgelopen 15 jaar in haar greep hebben gehouden. Van de Looverbosch is erin geslaagd om een ingewikkelde historie tot de kern te herleiden, en dit maakt het ook voor niet-ingewijden een begrijpelijk en bij vlagen spannend verhaal. Iets dat maar al te duidelijk wordt bij het lezen, is dat de Vlaamse politiek een aanzienlijke hoeveelheid ‘steekvlampolitici’ heeft gekend – mensen die het ineens opkomen (Verhofstadt, Dewinter, Dedecker, Stevaert, Leterme), maar een volgend moment uitgespuugd worden door de kiezer of hun eigen partij, of simpelweg mentaal en/of fysiek opbranden.
Een verklaring voor dit soort fenomenen geeft dit boek niet. Ook een centrale stelling wordt niet uitgewerkt, en daarmee beperkt het boek zich uiteindelijk slechts tot een feitenrelaas. Jammer, want er had meer ingezeten. Voor enige duiding heeft de schrijver interviews gehouden met een aantal (ex-)kopstukken (oa. Anciaux, Dewael, De Wever, Leterme, Vande Lanotte), waaruit zo nu en dan een passage is opgenomen in een apart kader. Deze worden niet of nauwelijks ingeleid of becommentarieerd en we komen daardoor ook weinig te weten over eventuele kanttekeningen die bij hun lezing geplaatst kan worden, of zaken die zij gemakshalve hebben weggelaten. Stilzwijgend wordt er vanuit gegaan dat de politici hun lezingen allemaal recht doen aan de feiten.
In de laatste zin van het boek wordt gesteld dat “we mensen met visie [nodig hebben] die op de lange termijn durven te denken en zich niet blindstaren op elk strovuurtje dat opflakkert in de Wetstraat.” Deze kritische noot gaat echter ook op voor dit boek zelf. Want ondanks de uitvoerige bespreking van alle parlementaire crises en kabinetsformaties, komen we weinig te weten over de algemene tendensen die spelen in Vlaanderen. Zoals het nu is uitgeschreven, lijkt elke verkiezingsuitslag het resultaat van het falen van de ene politicus/partij en het (al dan niet tijdelijke) succes van de ander. Daarmee wordt de politiek in zijn geheel gereduceerd tot ‘de poppetjes’ en hoewel ik dit een belangrijke factor vind, die dikwijls in theorieboeken juist ontbreekt, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat we feitelijk een soap aan het volgen zijn. Een soap waarin nu eens Open VLD, dan weer CD&V, dan weer N-VA de grootste lijkt te kunnen zijn. Dat er invloeden zijn die op de achtergrond spelen, wordt grotendeels genegeerd.
Van de Looverbosch’ eigen metier, het parlementair verslaggeverschap, lijkt hier debet aan te zijn. Ook daar zien we dat men van crisis naar crisis rent, totaal gefocust op de orde van de dag. Het is dan ook des te spijtiger dat de auteur weinig reflectie geeft op het functioneren van de parlementaire journalistiek in de afgelopen 15 jaar. Veel verder dan zijn eigen rol in de verslaggeving bij de Visa-affaire en een akkefietje tussen hem en Hilde Crevits in de VS komen we niet. (Of het moet het beeld zijn van het fonteindansende duo Goedele Devroy en Hanne Decoutere.) De vraag of het politieke nieuws in de betreffende 15 jaar inhoudelijk beter had gekund, wordt niet eens opgeworpen. Terwijl er wel wordt beschreven hoe politici het journaille weten te misleiden (recentelijk nog rondom de last-minute toetreding van Open VLD tot de Vlaamse regering), leidt dat niet tot de logische vervolgvraag of de werkwijze van de journalisten wel adequaat was. Helemaal kolderiek zijn de beschreven scènes waarin groepjes journalisten post vatten bij een gebouw waar op dat moment onderhandelingen tussen politici plaats hebben. Uren- of zelfs dagenlang bivakkeert men voor een deur in de hoop een sappige quote op te vangen van één van de onderhandelaars. Als een kind zo blij zijn ze als ze koffie krijgen aangeboden, of als er geregeld wordt dat ze voortaan van het sanitair binnen gebruik mogen maken en niet meer in de bosjes hun behoefte hoeven te doen. Maar een reflectie op het nut van dit vele wachten ontbreekt volkomen. Wat is, buiten de prestige die het bij vakgenoten oplevert, de journalistieke en maatschappelijke waarde van het als eerste opvangen van een quote? Had deze (wacht)tijd niet effectiever besteed kunnen worden?
Tot slot bevat het boek een aantal slordigheden in namen (Decroo of De Croo?), wordt er soms insiders-informatie onterecht als bekend verondersteld, en is het merkbaar dat hier en daar een alinea is verplaatst, waardoor er wordt gerefereerd naar zaken die nog moeten komen.
Al met al is De wissel van de macht een indrukwekkend en geslaagd feitenrelaas van de afgelopen 15 jaar Vlaamse politiek, maar mist het boekwerk een verdiepende laag die zowel op de politiek als op de journalistiek een nieuw licht had kunnen werpen. Dat is een gemiste kans, maar alsnog resteert een zeer lezenswaardig boek.