De rechte rug; het gecoiffeerde, licht golvende, naar achter gekamde haar; het pak, tiptop; soms dat chokertje en natuurlijk de pijp, al rookte hij al jaren niet meer – ze horen bij de eeuwige Mulisch, de Mulisch die in ons nationale geheugen staat gegrift. De Mulisch zoals hij zo weer de Leidsestraat over zou kunnen steken.
In Telefoon voor de heer Mulisch richt alle aandacht zich op de verschijning Mulisch. En natuurlijk ook op de wereld van misverstanden en mythologisering om hem heen. Want deelde hij het bed nou echt met duizend vrouwen, zoals de Herald Tribune schreef? En liet hij zichzelf werkelijk omroepen in Café Américain: ‘Telefoon voor de heer Mulisch!’? Hoe ver ging zijn liefde voor Cuba, voor teckels, voor het Venetië van Thomas Mann?
Onno Blom is bezig een biografie van Mulisch te schrijven, nadat Robbert Ammerlaan ermee was gestopt. Dan kan hij mooi gebruikmaken van deze mooie, gerubriceerde verzameling anekdoten uit het niet-schrijvende gedeelte van Mulisch' leven. Misschien duikt Blom er nog meer op. Dat zou ik leuk vinden, want Mulisch was een bijzondere man. Qua literatuur ben ik niet zo kapot van hem.