Een eigenaardig Tjechisch boek: dit is een soort schelmenroman met een tegelijk tragische en absurdistische toon, nu ongeveer 80 jaar oud want geschreven in 1946, al verscheen het pas voor het eerst in 1964: de na de tweede wereldoorlog verse heersers van het land, de Russen, hadden blijkbaar eerst 20 jaar de behoefte de zaken iets serieuezer te nemen.
Een groepje verzekeringsagenten trekt door de Tjechie, en verkoopt pensioenverzekeringen waar de lezer al vrij snel van begrijpt dat met het innen van de eerste premie de relatie met de klant praktisch al weer voorbij is. Op hun reizen ontmoeten ze menig kleurrijk type, en het loppt verrsassend af, maar dat zal ik hier voor me houden, want het boek is zeker de moeite van het aanschaffen waard: ik heb dan de idee, dat wie zoiets leest, zich weer eens kan realiseren hoe wezensvreemd de sfeer en de geschiedenis en de volksaard kan zijn in een land nog geen halve dag sturen verderop. Ter adstructie, twee citaten:
"Dat is Hulphovenier Jiroosek, fluisterde de rayonchef. "Tijdens 't eeerste lesuur had ik hem als dame. [men krijgt dansles, maar er zijn te weinig vrouwen, noot van de reviewer] Maar zodra we met de polka begonnen, rukte hij zich van me los ging in z'n eentje dansen. 'n Individualistisch type. Hij had twee zwakzinnige zonen die hij op op hun vijftiende nog steeds niet had leren klokkijken, dan zette hij de wijzers van wekker in alle mogelijke standen of sloeg ze met die wekker op hun hoofd.. Nu is't al een stuk beter, één zoontje heeft zich verhangen, en als die andere een wekker op kwart over vijf ziet, zegt-ie half zes.. en dan is die hovenier de koning te rijk en zegt dat het al wat beter gaat" (p. 122)
"Dan hebben we nog dat geval van die ene patient , Hloulcal genaamd, die de tien jaar dat-ie hier was keurig zijn bed opmaakte, daarna zijn pet opzette en zo tot 's avnonds naast zijn bed bleef staan, en die patient heeft me een keer lelijk te grazen genomen. De professor komt met 'n sleep studenten langs en vertelt hun wat de patientnen hadden, en toen ze weg waren, ik liep als laatste, toen rukte mijnheer Hloulcal 'n tafeltje los dat in de muur zat vastgeschroefd en sloeg dat op mijn hoofd kapot met de woorden 'Dit stuurt je de aartsengel Gabriel' " (p. 149)