In 'Wijk' hangen jongens en meisjes in de portieken van een slaapstadje, tussen lege bussen deodorant, aanstekers en leeggelopen ballen. Ze drinken, gebruiken speed en vertellen verhalen uit de plaatselijke folklore. Bijvoorbeeld over Erik, die in 'de zomer van de vervuilde LSD' in een psychose raakte. De verteller weet het stadje te verlaten, maar Mike, zijn beste vriend, blijft achter. Langzaam groeien ze uit elkaar. 'Wijk' is een ontroerend en genadeloos portret van een jeugd ergens in Nederland.
Jonathan Griffioen (Netherlands, 1987) Nederlands ►
Jonathan Griffioen (1987) was born in Amsterdam and grew up in Wijk bij Duurstede. He writes about growing up in this small provincial town in his first collection Wijk [District] (2015), which was nominated for the C. Budding’-prize. Griffioen made it into the semi-finals of the NK Poetry Slam 2015. His second collection, Gedichten met een mazda 626 [Poems with a Mazda 626] followed in 2018 and was awarded the J.C. Bloemprijs 2019. It was also long listed for the Grote Poëzieprijs 2019.
Griffioen's first collection Wijk offers up a panoramic view of a teenager’s life. In five long and meandering poems, each ending with a sort of pause, the poet sketches teenagers hanging out on street corners, in small squares and at empty bus shelters. This is where they watch girls – “tight zips with iron tongues and breasts stuffed with socks” – while their mothers lean from their balconys like “flowerpots”, keeping an eye on things. The poems aren’t realistic but strongly associative. Griffioen scrutinizes his youth in a stream-of-consciousness like flow of images and thoughts. His poetry turns from the descriptive to the lyrical, using the repetition of single words and lines to establish rhythm and musicality.
There is an observing and solipsistic strength at play in Griffioen’s work that allows the reader access into the mind of his protagonist. Without reservation, the poetic persona takes the reader on a tour through the different layers of his consciousness. This approach is further developed in Gedichten met een mazda 626 [Poems with a Mazda 626]. The solipsism has clearly been turned up a notch, if only because in this filmically written collection the poetic persona is on the autism spectrum. A narrative has been woven into the poems, which helps sustain a sense of cohesion: the poetic persona stays awake for 40 hours thinking about his dead friend Jimmy who used to drive “a red Mazda 626 from 1990”. Memories of his special-needs school in the forested parts of central Holland and the therapies he had to go through are alternated with memories of Jimmy and visions of a resurrected Jimmy who
falls like a thunderclap a circling void in the sky out of the circling void in the sky grows a light the light is red like the mazda the 626626 jimmy’s red mazda 626 from 1990
At times it is as if Jimmy is being celebrated (“but Jimmy I want you Jimmy here I come”) but this declaration of love can equally be interpreted as a desire for the union that comes with death. Death, love and the strong feeling that the poetic persona is trapped in himself are the themes that dominate Griffioen’s second collection.
Griffioen’s work is in some ways related to that of contemporaries Marieke Lucas Rijneveld and Daniël Vis. Like these poets, Griffioen’s poetry is a narrative poetry in which prose sections alternate with more lyrical passages. The vitality of language and images stand out in the work of all these three poets, and they all seem to have parted ways with the notion of the traditional collection. Their poetry creates an artwork, an installation continually offering different aspects of a particular theme.
Deze bundel is mijn nieuwe favoriete boek en ik hoop dat mensen me de komende tijd vaak gaan vragen wat mijn favoriete boek is zodat ik ze heel enthousiast deze bundel aan kan raden.
Al deze 80 pagina's waren voor mij ontzettend herkenbaar, pijnlijk en vol humor tegelijk. Het is kwetsbaar en er zit iets treurigs (maar oh zo moois) in de broodtrommel met steeds minder Ninja Turtles, de grappenmaker van de bingoclub, en Erik in het kapotgeslagen bushokje na de vervuilde LSD in de zomer van '93.
("moeder vraagt wat ik met een stopwatch/ en een notitieblok in de badkamer ga doen. [...] ze lijkt te wennen aan het ontbrekende antwoord, / schaart het in telefoongesprekken onder hormonen.") Misschien ligt het aan mijn autisme, maar het is zo geruststellend om dingen te lezen waarvan je altijd dacht dat je de enige was met die eigenschap. Ik vind dit een van de fijnste gevoelens die literatuur kan bereiken en deze bundel raakte me keer op keer.
Ik ben zo ontzettend blij dat er bundels als deze bestaan die me leren dat literatuur ook mag gaan over welke plaat van de Pixies geschrapt zou moeten worden, over wiskundige formules die gelden op kringverjaardagen en een muur behangen met Google Maps.
Ik heb me door deze dichtbundel heen geworsteld omdat het kwam als deel van een pakketje van de Geen Daden maar Woorden - challenge van de Hebban website maar de achter elkaar gezette woorden deden me jammer genoeg... niets. Soms passeerde er een vlaag van erkenning uit mijn eigen jeugd maar dat is maar af en toe gebeurd. Mijn ouders zongen nooit uit Grease, aangezien ze nog van enkele generaties ouder zijn. Wijk blijkt zeer vervelend te zijn voor de jongeren die er rondhangen en ergens anders het plezier opzoeken ligt blijkbaar wat te moeilijk voor de één of andere reden.
De referenties naar de popwereld waren misschien wel aardig maar nu niet zo zeer om naar huis over te schrijven eerlijk gezegd. Maar de triestigheid en de onverschilligheid uit de tekst zeiden me zo goed als niets.
De cover is gelukkig origineel: als je de puntjes erop oplopend verbindt, kan je zelf een tekening van een hangjongere tevoorschijn puzzelen.
‘we dragen onze overalls als omgevallen hanenkammen.’
(uit: Geitenkop (twee), p. 46)
Intrigerende debuutbundel met een sterk onderliggend concept, geheel eigen. De mengeling van ‘onpoëtische’ elementen met zeer poëtische taal maakt deze leeservaring herkenbaar (tenzij je met een gouden lepel in je mond bent geboren) en tegelijkertijd bevreemdend. Eentje die mij niet altijd weet te bekoren, maar wel laat zien wat poëzie óók kan zijn: gegrond in een realiteit van miljoenen Nederlanders die het slechter hadden (of hebben) dan jezelf.
Wijk is mijn eerste kennismaking met het werk van Griffioen en ik ben zeer benieuwd naar het alweer drie jaar geleden verschenen Gedichten met een Mazda 626.
Griffioens Wijk is een herkenbaar portret van een generatie
Jonathan Griffioen was finalist van Write Now! 2012 en halvefinalist van de NK Poetry Slam 2015. Zijn gedichten werden eerder onder andere gepubliceerd op De Optimist en De Contrabas. De debuutbundel Wijk verscheen afgelopen maand bij Lebowski Publishers. Het is een herkenbare en toegankelijke bundel, ook voor de poëzieleek.
In ‘Wijk’ zien we het portret van een jeugd, of beter gezegd een generatie. De strofische gedichten kunnen los van elkaar gelezen worden, maar vormen samen ook een verhaal op zich. Het verhaal van een generatie waarin iedereen maar wat rondhangt zonder te weten waar het heen moet met de wereld: ‘voor mijn achttiende verjaardag huren mijn ouders / een kleine zaal af. iets worden doe je buitenshuis.’
Verhaal Ook zonder een expert op het gebied van poëzie te zijn of je bij elke regel af te vragen wat de onderliggende gedachte is, is ‘Wijk’ een begrijpelijke bundel. Het gaat over een jeugd in Wijk. Griffioen geeft een kijkje in het dagelijks leven van deze jeugd, de sfeer is humoristisch en wanhopig tegelijk. De verhalende gedichten lezen prettig en zijn toegankelijk. ‘We zijn liefdesliedjes zat. we willen schreeuwen / over onze twijfels en onze woede – ja hoofdpijn vooral, / slaaptekort, / maar in de bushalte komen stoppels door terwijl we wachten.’
Herkenbaar De gedichten zitten vol herkenbare elementen en interessante metaforen. Korte strofes waarin de nadruk vaak op het laatste woord komt te liggen doordat de zin over de regel doorloopt zorgen voor een prettig ritme dat vlot doorleest. De relatie tussen jeugd en buitenwereld staat centraal en Griffioen weet deze op pakkende en troosteloze manier te vangen. Onbegrepen zielen en vriendschappen die gedoemd zijn te verliezen: ‘ze lijkt te wennen aan het ontbrekende antwoord, / schaart het in telefoongesprekken onder hormonen.’
De ‘pauzegedichten’ in zijn bundel staan los van de rest. Ze zijn korter en hebben een ander karakter, maar vormen tegelijkertijd slimme bruggetjes naar dat wat volgt. Ze smeden de bundel tot één verhaal. Dat geheel en de manier waarop de afzonderlijke gedichten daar stuk voor stuk perfect inpassen, zonder hun individuele kracht te verliezen, is wat deze bundel zo bijzonder maakt.