**Uiteraard inclusief spoilers**
Wat is dat toch met jonge schrijfsters die debuteren met een boek vol vrouwenproblemen en gecompliceerde relaties met oudere mannen? Na onder andere (de recente successen van) Bregje Hofstede’s De hemel boven Parijs en Niña Weijers’ De consequenties (beide 2014), doet ditmaal uitgeverij Prometheus een duit in het zakje met Judith Eykelenboom’s (1983) Biefstuk, dat verbijsterend veel overeenkomsten met de beide romans vertoont, tot aan het sigarettenmerk aan toe. Maar waar bij de twee eerstgenoemden echter wel een literaire verdieping plaatsvindt, is Eykelenboom’s werk niet meer dan een kinderboek, inclusief betreurenswaardige Harry Potterachtige epiloog.
Wanneer de vijftienjarige Levi, een joods meisje met een jongensnaam, omdat haar vader immers een zoon wilde, het oude fototoestel van haar moeder krijgt, schiet ze rolletje na rolletje vol. Om haar hierbij te helpen, legt haar vader uit dat ze op de essentie van zaken moet letten, en die moet vastleggen. Wat de essentie precies is, weet ze niet, maar met deze woorden in haar achterhoofd legt ze, zonder het te beseffen, minutieus het uiteenvallen van het gezin vast. Daarnaast wordt Levi’s eigen worsteling met de pubertijd belicht, waarin alle stereotype problemen aan de orde komen, variërend van foute vriendjes en druggebruik tot uit jaloezie ontstane ruzies met vriendinnen.
Juist omdat zo in de tienerproblematiek en de belevingswereld van Levi gehangen blijft worden, is het verhaal alles behalve vernieuwend, bij tijd en wijle zelfs saai, en voorspelbaar. Zo is vanaf de eerste zin al duidelijk dat de thuissituatie onhoudbaar gaat blijken te zijn, en zal gaan escaleren: ‘Toen mijn moeder een digitale camera van mijn vader cadeau kreeg omdat hij iets goed te maken had, mocht ik haar oude toestel hebben.’ Dit omineuze gevoel wordt vervolgens bevestigd nadat Levi’s vader Max alle vrouwen, onder wie zijn eigen, hoeren noemt. Niet verwonderlijk eindigt het huwelijk in een scheiding, al doet moeder Yvette nog een verwoede poging de boel bij elkaar te houden door een nakomertje op de wereld te zetten.
Dat Max uiteindelijk doordraait, mag overigens geen wonder heten. Niet alleen verliest hij zijn baan, Eykelenboom heeft er, mogelijk onbewust, ook voor gekozen hem in een volledig door vrouwen gedomineerde omgeving te laten leven. Voortdurend zijn er dames over de vloer, die van alles te melden hebben: Niet alleen zijn echtgenote en dochters, maar ook al hun vriendinnen en gezinscoach Inge. De paar mannen die worden opgevoerd hebben slechts bijrollen, zoals de in een coffeeshop werkzame Mo, of zijn niet meer dan een gespreksonderwerpje van Levi en haar vriendinnen. Zelfs oma is belangrijker dan opa: Hun villa wordt omschreven als ‘het huis van oma.’ En oma mag zowaar af en toe wat zeggen, terwijl opa’s belangrijkste bijdrage zijn overlijden lijkt te zijn.
Ook Eykelenboom’s taalgebruik doet de wenkbrauwen fronsen. De gehanteerde grammaticaal correcte, bloemige en gedetailleerde schrijfstijl om de verschillende levensgebeurtenissen te beschrijven komt niet overeen met iemand van Levi’s leeftijd, hoewel ze op het gymnasium zit. Pas na afloop zou de conclusie getrokken kunnen worden dat het hele verhaal verteld wordt door de inmiddels adolescente Levi. Desondanks wordt in onderlinge gesprekken wel het taalgebruik van een gefrustreerde tiener gebruikt, wat verwarring oplevert en afschrikt: ‘We keken elkaar aan en begonnen zowat tegelijkertijd geluiden te maken die al te lang in ons binnenste gevangen hadden gezeten,’ gevolgd door: ‘Eerst wat onwennig, een paar hoge gilletjes, maar na een poosje kwamen we los en schreeuwden we zo hard we konden dat iedereen de tyfus kon krijgen, dat ze moesten opkankeren met hun gezeik en dat ze lekker weg konden rotten met hun saaie kutlevens.’
Het is frappant dat uitgerekend alleen de viezerik Mo aanstoot neemt aan dergelijke uitingen, ondanks dat Levi’s vader het ook niet tolereert wanneer zij zich misdraagt aan tafel, haar een dreun verkoopt, en alles zwart wordt voor haar ogen. De woorden die Eykelenboom vervolgens kiest om Yvette met deze mishandeling om te laten gaan, zijn zo ongeloofwaardig dat het beschamend wordt. Het lijkt erop als Eykelenboom geen vertrouwen heeft in de lezer en daarom alles uitgelegd moet worden: ‘Wij moeten dringend praten, Levi. Papa had jou nooit mogen slaan, dat hoort niet te gebeuren, maar je hebt het er wel een beetje naar gemaakt. Vind je zelf ook niet?’
Ditzelfde fenomeen komt terug in de epiloog, wanneer op geforceerde wijze duidelijk gemaakt wordt dat acht jaar zijn verstreken (‘Max heeft zin om haar een klap te verkopen. Wat denkt ze wel? Zijn dochter, die hem voor het leven verminkt, dan acht jaar van de radar verdwijnt, op een onbenullig, slordig geschreven briefje na, komt hem nu de les lezen?’), om het een luttele twee pagina’s verder opnieuw tot twee keer toe over deze acht jaar te hebben. Het is verre van noodzakelijk alles meteen voor te kauwen. De lezer kan best twee pagina’s, die in het geval van Biefstuk gelijkstaan aan twee minuten en daardoor in z’n geheel op een verloren avond uitgelezen kan worden, wachten.
Daarnaast rijst de vraag of Biefstuk wellicht een autobiografisch werk is, waarbij de namen gefingeerd zijn, mogelijk naar goed voorbeeld van Emma Custers’ Iedereen kan schilderen uit 2010. Verwijzingen naar kledingwinkel CoolCat als ‘the place to be’ en naar de band Nirvana doen dit wel vermoeden. Zo ja, dan is het voor Eykelenboom te hopen dat dit keer een kortgeding wel uitblijft.
Waarom overigens expliciet vermeld wordt dat het gezin joods is, is tevens onduidelijk. Het enige dat het oplevert is die ene onvermijdelijke opmerking over neuzen. Nee, als Eykelenboom daadwerkelijk een intrigerend verhaal had willen neerzetten, dan had ze op z’n minst Yvette niet een voorliefde voor Frans, maar een voorliefde voor Duits gegeven. En dat is een vrij treurige conclusie, niet in de laatste plaats omdat Eykelenboom de schrijversvakschool doorliep.