Florence, februari 1497. De hele stad viert Carnaval. Maar wat voor Carnaval. De Medici zijn weggejaagd, voorbij is de tijd van feesten. In de Dom wekt de dominicaan Girolamo Savonarola de gemeente met donderende stem op tot inkeer en boetedoening. Horden kinderen in witte misgewaden, het Heilige Inquisitieleger, rennen zwaaiend met rode kruisen door de strraten, dringen huizen binnen, rukken vrouwen de sieraden van het lijf, vernielen kunstwerken, plunderen bibliotheken. Op de Piazza della Signoria wordt een grote brandstapel opgericht, waar alle 'ijdelheden': sieraden, schilderijen, handschriften, boeken op worden gegooid. De vlammen laaien huizenhoog op tegen de nachtelijke hemel. Werkloos moet Theophilus Ordanes, schrijver en kopiist, een erudiet man uit Byzantium, toezien hoe de hele cultuur van de Oudheid in rook en as opgaat. Maar geheel machteloos is hij niet. Er komt een vermetel idee bij hem op. De schilderijen en de sieraden zijn voorgoed verloren, maar de boeken en handschriften...? Wie kan er met zekerheid zeggen welke schrifturen verloren zijn gegaan en welke niet? Samen met de vrouw van een Florentijns koopman en zijn joodse vriend Efraïm begint Theophilus aan de verwezenlijking van een grandioze mystificatie. Hij zal Plato en Aristoteles, Sophocles en Aristophanes tot nieuw leven wekken.