Familieziek (2002) is een autobiografisch gekleurde roman in korte taferelen over een gezin dat “ziek” is geworden van oorlog, verlies en zwijgen. Het verhaal speelt in Nederland in de jaren vijftig en wordt verteld door een jongen die opgroeit tussen vier vrouwen (moeder en drie zussen) en een vader die door iedereen “meneer Java” wordt genoemd: een man die terugkeerde uit voormalig Nederlands-Indië, maar geestelijk nooit echt is aangekomen.
Wat meteen opvalt, is hoe sterk de vader in het verleden leeft. Hij luistert obsessief naar het radionieuws, ziet overal dreiging, klampt zich vast aan discipline en eer, en schrijft dwangmatig brieven aan instanties (“Mijne Heren…”). Zijn woede-uitbarstingen, zijn strenge lessen en zijn fixatie op paarden en “kopkracht” maken hem tegelijk beklemmend én tragisch: je voelt dat hij niet alleen dader is, maar ook iemand die zelf beschadigd is door wat hij heeft meegemaakt.
De moeder vormt de stille spil van het huishouden. Ze probeert het gezin bij elkaar te houden en conflicten te dempen, maar leeft ondertussen in permanente spanning. De zussen bouwen samen een beschermende vrouwenwereld, waarin de jongen eigenlijk niet thuishoort. Hij is kwetsbaar, onzeker en lichamelijk zwak; zijn allergie voor paarden—juist terwijl zijn vader paarden adoreert—werkt als een pijnlijk symbool: vader en zoon staan letterlijk en figuurlijk tegenover elkaar.
De roman bestaat uit losse scènes die samen een beklemmend portret vormen: de drift van meneer Java, de brieven, de schrijfles, de radio als angstmachine, familiebezoeken vol schaamte en afstand, en zelfs grote gebeurtenissen zoals de Watersnoodramp die de onrust in huis weerspiegelen. Door die fragmentarische opbouw voelt het boek als een reeks herinneringsflitsen: niet netjes afgerond, maar juist echt—zoals gezinsgeschiedenis vaak is.
De jongen observeert alles en onthoudt alles, maar wordt nauwelijks echt gezien—zelfs zijn naam lijkt er niet toe te doen. Dat maakt het verhaal extra pijnlijk: het gaat niet alleen over een harde vader, maar ook over het langzaam verdwijnen van een kind in een huis vol spanning.
Aan het einde is er voorzichtig toenadering tussen vader en moeder, maar echte genezing blijft uit. Familieziek suggereert dat sommige breuken niet “opgelost” worden; ze worden doorgegeven, meegedragen, en soms pas veel later begrepen. Precies daarom blijft dit boek hangen.
Thema’s
-oorlogstrauma en doorwerking in het gezin
-migratie, ontworteling en een “verloren thuis”
-vader-zoonrelatie en macht in opvoeding
-zwijgen, schaamte en onuitgesproken pijn
-herinnering: wat je niet kunt vergeten
Is een pijnlijk eerlijk, intens en literair sterk boek. Het is geen vrolijk boek, maar wel een noodzakelijk boek: het laat zien hoe oorlog en verlies niet stoppen bij de geschiedenis, maar doorgaan aan de keukentafel.
Is een portret van een gezin dat leeft in de schaduw van een verleden dat nooit echt voorbijgaat. Het is een roman over liefde die niet genoeg is om te genezen, over vaders die breken, en over een zoon die alles ziet—en niets vergeet.