Het boek vertelt over het leven van de mijnwerkers in 1845 in Kerkrade, Zuid-Limburg. De hoofdpersoon is Emma, een jong meisje.
Als ze hun pacht niet meer kunnen betalen, wijkt het gezin uit naar Kerkrade, om in de mijn te werken. Vader, oudere broer Volkert en Emma gaan de mijn in. Door tegenslagen kan het gezin nog niet rondkomen en moeten ook de jongere kinderen, Sofie en Tom, na een tijdje mee gaan werken.
Het werk is zeer ongezond, en gevaarlijk. Ze krijgen te maken met een instorting, een overstroming, ongeluk, ziekte en zelfs dood.
Tijdens de instorting raakt Emma ingesloten samen met Rudolf, de zoon van een belangrijke aandeelhouder van de mijn. Zo ontstaat een vriendschap, die echter moeizaam verloopt door het grote standenverschil.
Maar na een tijd kan Rudolf er voor zorgen dat Emma een baantje krijgt als dienstmeisje in Maastricht, bij zijn oom en tante.
Emma moet daar ook hard werken, maar ze is tenminste uit de mijn en heeft een tamelijk goed leven.
Op een dag ontmoet ze een journalist die bevriend is met haar werkgevers. Stiekem vraagt hij Emma om haar verhaal te doen voor een feuilleton in de krant.
Als haar werkgevers dat te weten komen, wordt ze ontslagen, want veel van hun kennissen hebben fabrieken waarin kinderen te werk gesteld worden, en de mensen van deze stand hebben niet graag dat deze misstanden aan het licht gebracht worden.
Emma kan dan gaan werken op de krant, klusjes doen.
En Rudolf is ondertussen fotograaf geworden, dat is altijd zijn droom geweest. Voor de kost maakt hij meestal portretten van de rijken, maar nu heeft hij een tentoonstelling gemaakt met foto's van kinderarbeid, in de fabrieken en in de mijn, en van de barre omstandigheden waarin deze kinderen moeten werken en leven.
Hiermee heeft hij Emma's hart gestolen, en zo eindigt het boek.
Een schrijnend verhaal, dat heel levendig het leven van deze arme mensen beschrijft, en van de kinderen die nooit kind mogen zijn. Heel leerrijk ook, en het grijpt je naar de keel. 5 sterren.