Zoals de titel al laat doorschemeren, gaat het hier om een egocentrisme, een narcisme zelfs, dat, onder de oorverdovende sirenen van een burgerlijk geweten, toch vermakelijk is. Cremers masturbaties voor de spiegel moeten de pols getraind hebben voor het schrijversvak, want schrijven kan hij. Met onverbloemd realisme, humor en een grote dichtheid aan gebeurtenissen die de vaart erin houdt, weet Cremer de lezer mee te krijgen in zijn narcistische fantasmagorie en weerzinwekkende driften.
Toch presenteert hij zich bij wijlen als niets meer dan een blaaskaak die heel soms, in de kleine hoekjes van deze machistische roman, zachtjes huilt. Die nuance fascineert, maar het is een te zeldzame en onuitgewerkte dimensie, in schril contrast met de melancholische psychologie die bij zijn Amerikaanse geestverwant Jack Kerouac tot uiting komt. Zo blijft de psyche van de protagonist vrij eendimensionaal.
Wat me vooral boeit in Ik, Jan Cremer, is de vervaagde grens tussen fictie en autobiografie. In het oeuvre van Boudewijn Büch, de meester van de 'autobiografictie', worden verzinsels de vehikels van de diepste waarheden, wanneer de feiten niet langer de lading dekken. De belevingswereld en de verbeelding kunnen immers ver verwijderd zijn van de objectieve waarheid. Wat is het doel dat Cremer beoogt met zijn autobiografictie? Een geïmproviseerde gok: misschien is het de ontteugeling van zijn meest perverse neigingen, tot seksisme, tot geweld en zelfs tot moord, zodat ze in de fictie naar voren komen - en niet, of in elk geval in beperkte mate, in zijn biografie.