De wereld lijkt steeds complexer en onoverzichtelijker te worden. In de hedendaagse ‘netwerksamenleving’ kun je geen kop koffie drinken zonder je medeschuldig te maken aan uitbuiting en slavernij, en staat je baan op het spel omdat aan de andere kant van de wereld een bank omvalt. Hierdoor beschouwen we de wereld steeds vaker als iets gevaarlijks waarover we geen controle hebben en dus keren we de blik naar binnen en klampen we ons vast aan de dingen die we nog wél in de hand hebben. Het resultaat: collectief narcisme en een publieke sfeer waarin een scherpe mening meer waard is dan een weloverwogen oordeel. Met soepele pen en scherpe analyses biedt filosoof Thijs Lijster een caleidoscopische blik op de meest uiteenlopende culturele en maatschappelijke fenomenen, zoals design, de versnelling van het leven, de alomtegenwoordigheid van opiniepeilingen en de positie van illegale immigranten. De grote vlucht inwaarts is een pleidooi voor tegendraads denken waarbij zelfs het meest onbeduidende detail beschouwd kan worden als betekenisvol.
De ondertitel van dit boek zou de geïnteresseerde lezer op het verkeerde been kunnen zetten. Het is geen boek met essays over kunst of over organisatiecultuur. Maar het is een proeve van cultuurkritiek in een wereld waarin de grote verhalen ten grave zijn gedragen, het ideaal van maakbaarheid een slechte roep heeft gekregen en de ambities van burgers zich grotendeels beperken tot de privésfeer. Thijs Lijster staat kritisch tegenover deze ‘grote vlucht inwaarts’.
Maar zijn kritiek is interessanter en genuanceerder dan die van een aantal conservatieve neo-Verlichtingsfilosofen. Vanzelfsprekend heeft Lijster niet veel op met de postmodernen. Ze hebben het kind met het badwater weggegooid. En bovendien wordt hun visie op de wereld handig gerecupereerd door een kapitalisme dat steeds meer totalitaire trekken krijgt. Niettemin vindt Lijster het niet nodig om de postmodernen te demoniseren.
Thijs Lijster bedrijft cultuurkritiek in de Duitse traditie van Marx, Weber, Benjamin en de filosofen van de Frankfurter Schule. Zijn aandacht richt zich op de grote structuren die ons leven bepalen in een laatkapitalistische maatschappij. Structuren die vaak te groot zijn om door ons nog gezien te worden. We ervaren hun effecten wel (in toenemende mate uitputting, angst, en existentiële eenzaamheid) maar we kunnen ze niet decoderen en hebben er dus geen greep meer op. Analoog is Lijster niet te beroerd om in de hedendaagse disciplineringsmechanismen ook nog de uitdovende gensters van een utopisch project te onderkennen.
Het eerste essay van de bundel, in het deel ‘Verinnerlijking’, is exemplarisch voor de aanpak van de auteur. Hierin tekent hij een portret van de Totaalmens, wiens leven als een aaneenschakeling van ‘projecten’, de resultante is van twee sets van in elkaar grijpende krachten: de conflatie van ontspanning en productiviteit enerzijds en een dwangmatig systeem van grenzeloze genotsdwang anderzijds.
In het daaropvolgende opstel exploreert Lijster de verbinding tussen de IKEA-ficatie van ons interieur, de constructie van het privé-leven en het uitventen ervan in het toenemend geprivatiseerde ‘publieke' domein. Een provocerend beeld dat deze nexus belichaamt is het 'kunstwerk’ SlaveCity van Atelier Van Lieshout: “een ontwerp voor een werkkamp, bewoond door slaven, of ‘participanten’ zoals ze eufemistisch genoemd worden.” Het kleinste detail van dit systeem staat in het teken van winstmaximalisatie. Een onderscheid tussen werk en ontspanning, publiek en privé is irrelevant geworden. In SlaveCity kunnen we mijns inziens de contouren onderscheiden van wat vandaag de ‘smart city’ wordt genoemd: een ‘intelligente samenleving’ die alle stromen in het stedelijke domein minutieus monitort om de efficiëntie, kosten, gevoel van veiligheid en gezondheid te optimaliseren en burgers tegelijk aanport om ‘creatief en ondernemend’ te zijn.
Het laatste essay van het eerste deel cirkelt dan rond deze vraag: “Zal de notie van intellectueel eigendom ineenstorten onder het gewicht van technologische ontwikkelingen zoals het internet en het gemeenschappelijk gebruik waar het kapitalisme zelf van afhankelijk is, of zullen artistieke praktijken juist in toenemende mate bedreigd worden door een onteigening van de artistieke meenten?”
Een tweede verzameling van essays werd gebundeld onder het kopje ‘Verstarring’. De grondgedachte hier ontwikkeld door Lijster is dat de verstarring van de geschiedenis diep verankerd is in de structuur van een kapitalistische samenleving, die oppervlakkig gezien verandering geestdriftig schijnt te omarmen, maar door commodificatie van tijd en door veralgemening van een datagedreven ‘meetcultuur' de toekomst reduceert tot een ‘eeuwige terugkeer van hetzelfde’.
In een derde en laatste groep van stukken breekt de auteur een lans voor het vertellen van nieuwe ’sterke verhalen’. Het postmodernisme getuigde van een sterke weerzin tegen de categorie van de totaliteit en stelde daarvoor de ideologie van het netwerk in de plaats. Maar volgens Lijster maakt het laatkapitalisme daar handig gebruik van om vragen over verantwoordelijkheden met betrekking tot wereldproblemen op een zijspoor te zetten en burgers tot de vaststelling te laten komen dat de locus of control bij hunzelf ligt. Dat heet dan de ‘privatisering van de wereldproblematiek’. Sterke verhalen moeten ons helpen om een nieuw licht op de wereld te werpen en haar vanzelfsprekendheid in vraag te stellen. Lijster werkt dit thema nog verder uit in de opstellen die daarop volgen en gewijd zijn aan de figuur van de detective, de kunstcriticus en de topos van de uitzonderingstoestand.
Dit zijn allemaal knappe analysen die heel scherpzinnig en gebald de malaise in het laatkapitalisme duiden. Maar wat kunnen wij hier tegen doen? Cultuurkritiek bedrijven is alvast één vector van verzet. Daarnaast schijnt de auteur voor vier strategieën te pleiten:
- Ruimte maken voor ledigheid en bewuste non-productiviteit; - Reconstituering van de polis, de sfeer van politieke openbaarheid en van het collectief handelen; - Verdediging en hertoeëigening van de commons; en - Ontwikkelen van sterke verhalen om terug ‘totaliteiten’ te durven denken en vanzelfsprekendheden in vraag te stellen.
Ik vind De grote vlucht inwaarts een heel knap boek dat ontzettend veel stof tot nadenken biedt. Het is tegelijk een goede inleiding tot een soort van cultuurkritiek waar ik in mijn (toch eclectische) academische opleiding nauwelijks aan blootgesteld werd. Ik hou het boek de komende tijd zeker onder de hand om de ideeën en denkstrategieën die er in vervat liggen verder te metaboliseren.
Ergens tussen een drie en een vier-ster. Interessante essays over de huidige tijd. Over hoe privé en werk steeds meer hetzelfde worden (de totaalmens) maar niet iedereen meer mee kan komen. Over het individualisme en hoe spullen steeds belangrijker zijn geworden. Of er nog sprake kan zijn van intellectueel eigendom, nu alles op internet staat en te kopiëren is. Over dat de tijd steeds sneller gaat en (bijna) handelswaar wordt. Over het toenemend gebruik van data en statistiek, en dat dat tot verstarring van de bestaande situatie leidt. Over hoe het brein door sommigen als alles beheersend (autonoom) wordt gezien en anderen juist de occulte en spirituele kant opzoeken. Over ongelijkheid, en dat liefdadigheid niet de oplossing is. Over het zoeken naar waarheid en gerechtigheid ahv beroemde detectives. Of critici nog wel van waarde zijn nu iedereen een eigen mening heeft. Over de onmacht Van het individu ahv verhalen van Kafka, Kleist en Coetzee. Het zijn tegelijk wel heel wetenschappelijke essays, waar veel achtergrondkennis voor nodig is om alles te begrijpen. Veel verwijzingen naar filosofen, sociologen, Marx, Spinoza enz enz. Wel soms prachtige vergelijkingen, die kern van het betoog mooi weergeven. Dus wel de moeite waard en tegelijk best pittig.
Ieder boek dat opent met Louis van Gaal als filosoof verdient op z'n minst drie sterren. En aangezien dit boek verder ook veel dingen goed doet, kan er nog een ster bij. Bizar hoeveel filosofen en linkse denkers Lijster kent en kan toepassen op hedendaagse fenomenen.
Dit is een essaybundel waarin uiteenlopende onderwerpen aan bod komen (kunstkritiek, neurofetisjisme, navelstaren, ons verlangen naar een fijn interieur, het mooi maar-niet-zo-benoemde psychoanalytische hedo-ascetisme, ontmenselijking en de nutteloosheid van mensenrechten), maar de rode draad tussen deze verhalen zit in de kritiek op individualisme. De hoofdstukken over neurofetisjisme (en daarmee ook spiri-wiri-fetisjisme), onze drang naar het vangen van van alles in patronen en data en de zinloosheid van mensenrechten (aangezien ze niet gelden voor hen die we als minder menselijk zien) vond ik het meest sterk. Tot slot nog een prachtig Duits woord geleerd (gegenwartsschrümpfung; de toenemende krimp van een betekenisvol heden, aangezien we steeds meer losgezongen raken van verleden en duizelen van steeds hippere toekomstige innovaties) (p. 106).
Confronterend boek, dat met name het neoliberalisme er hard van langs geeft. Visie is niet als een olifant die het zicht belemmert, maar nodig om de economische en humanitaire crisissen van de huidige tijd te bestrijden.