Onlangs las ik "Autobiografie van een lijk" en "De letterdodersclub" van de vrij onbekende Rus Sigizmoed Krjizjanovski (1887- 1950), en vooral bij dat tweede boek jubelde ik luidkeels. Daarna vermaakte ik mij weer prima met "De terugkeer van Münchhausen", dat naar mijn smaak weliswaar minder geniaal en euforiserend is dan m.n. "De letterdodersclub" maar nog steeds amusant en aanstekelijk. De vertaling van Monse Weijers is bovendien prima, en zijn nawoord is op prettige wijze informatief en verhelderend. Net als de door hem bewerkte en uit het verzameld werk overgenomen eindnoten.
In deze korte roman (uit 1927) volgen we de gedachten, fantasieën en deels gefingeerde belevenissen van Baron Hieronymus von Münchhausen, een persoon die werkelijk heeft bestaan maar die bekend stond als een ongeremde en onuitputtelijke fantast. En Kzjizjanovski (wiens naam door Weijers trouwens gespeld wordt als "Kzizjanovski") voegt daar nog een absurdistisch element aan toe: Münchhausen zelf wilde ons laten geloven dat hij zichzelf uit zin eigen haren uit het moeras trok, maar Krzizjanovski tovert ons de ongelofelijke maar aanstekelijke fantasie voor dat Münchhausen weer opgestaan is uit zijn graf en weggelopen is uit zijn eigen boek. Want Krzjizjanovski laat ergens in de jaren '20 de 130 jaar voordien overleden Münchhausen weer vrolijk en levend rondlopen, en laat hem weer nieuwe verzinsels de wereld instrooien die minstens zo buitenissig zijn als de onwaarschijnlijke verzinsels uit de memoires van Münchhausen zelf. De door Krzjizjanovski verzonnen Münchhausen zaagt bijvoorbeeld paarden in tweeën en rijdt dan rond op een gehalveerd paard, en stript bijvoorbeeld vossen niet van één vossenhuid maar van tientallen vossenhuiden omdat die afgestroopte vossenhuid in de extreme Russische koude razendsnel weer aangroeit, en die nieuwe huid kan dan weer afgestroopt worden, waarna er pijlsnel weer een nieuwe groet die ook afgestroopt kan worden. Ook maakt Münchhausen een duizelingwekkende vlucht op de rug van een moderne oorlogsgranaat, wat weer eens wat anders is dan vliegen met een ouderwetse kanonskogel, en hij stapt rustig in en uit de afbeelding van hem die in zijn eigen memoires is opgenomen. Zijn laarzen voeren zelfstandig een aanval uit op een door rovers bezet dorp; in het door hongersnood geteisterde Moskou bespeelt hij de fluit en lokt hij alle ratten, die in keurige rijen recht de pan in lopen. Bovendien sterft hij opnieuw, maar dan voorwaardelijk, omdat hij voorwaardelijk geëxecuteerd wordt: met klapperpistolen. Enzovoort, en zo verder.
Deze vermenigvuldiging van onwaarschijnlijkheden is soms wel wat melig, maar meestal heel vermakelijk. En daardoor is deze roman tevens een ode aan de ongeremde fantasie. Bovendien doet door Krzjizjanovski verzonnen Münchhausen diverse uitspraken die deze ode onderstrepen met een pleidooi. Niet voor niet zegt Münchhausen, als hem wordt gevraagd hoe het kan dat hij dood is en toch in gesprek is met een vriend van hem, "sta me toe om [...] uit de blubber van de waarheid op te staan en wat te fantaseren". Dus hij verklaart deze ongerijmdheid en anomalie niet, maar vergroot hem men zijn fantasie juist uit. Elders verklaart Münchhausen dat hij materialisten verafschuwt, en een hekel heeft aan "dat stompzinnige IN FEITE" dat hen zo kenmerkt. En dus kiest hij nadrukkelijk voor groteske fantasie waarin elk "in feite" wordt gelogenstraft. Sowieso gelooft hij niet in sluitende werkelijkheden en waarheden: "Maar wat moet het incomplete wezen dat "mens" genoemd wordt, aan met die hele getallen. Mensen, dat zijn breuken die zich uitgeven voor hele getallen, zichzelf groter maken met woorden. Maar de breuk is, ook al gaat hij op zijn tenen staan, toch geen heel getal, geen eenheid, en alle daden van een breuk zijn gebroken, alle gebeurtenissen in de wereld van niet- eenheden zijn incompleet". Vandaar ook dat Münchhausen zich verzet tegen de waarschijnlijkheidstheorie van filosofen en realisten, en de - heel fraaie- "onwaarschijnlijkheidstheorie" ontvouwt. En omarmt. Vandaar dat hij bizarre verzinsels en fantasma's verkiest boven zogenaamde feiten. Vandaar dat hij zegt: "Ik leefde in het grenzeloze rijk van de fantasie, en de twisten van de filosofen die elkaar de waarheid uit handen proberen te rukken, leken voor mij op een vechtpartij van bedelaars om een koperen muntstukje dat hen wordt toegeworpen. De ongelukkigen konden ook niet anders: indien ieder ding gelijk is aan zichzelf, indien het verleden niet veranderd kan worden, indien ieder object een objectieve betekenis heeft, en het denken uitsluitend wordt gebruikt voor kennisverwerving, dan is er geen andere uitgang dan die naar de waarheid. O, hoe belachelijk schenen me al die geleerde bollebozen toe , die eenheids- en waarheidszoekers: ze zochten [...] 'het ene in het vele', en ze vonden het niet, terwijl ik het vele in het ene wist te vinden. Ze sloten de deuren, overschreden de drempels van het bewustzijn niet, ik opende ze naar het niets, dat ook alles is [...]. Ik schiep onvoltooide werelden, ontstak en doofde zonnen, hief oude omloopbanen op en tekende nieuwe wegen in het heelal; ik ontdekte geen nieuwe landen, o nee, ik vond ze uit [...]".
Dit pleidooi voor ongerijmde en ongeremde fantasie mondt uit in diverse erupties van deze fantasie, waarin Münchhausen helemaal losgaat met fantasma's en onrealistische, onmogelijke verzinsels. Maar ook met heel ongewone beschrijvingen, die - bijvoorbeeld- het ons bekende Moskou veranderen in iets ongerijmds en ongewoons en bijna onwerkelijks. Bijvoorbeeld: "Als je naar Moskou kijkt vanaf de hoogte van een vogelvlucht, dan zie je in het centrum een stenen spin, het Kremlin, die met vier wijd geopende poorten aandachtig kijkt naar het door haar geweven web van straten: hun grijze draden gaan, zoals in ieder spinnenweb, straalsgewijs uiteen en worden vastgehecht aan verre slagbomen: dwars op deze radiaalwegen staan, als een menigte korte verbindingen, de dwarsstraten; hier en daar zijn ze aaneengegroeid tot lange ketens die de ringen van de boulevards en stadswallen vormen; hier en daar zijn de einden van de webdraden stukgetrokken door de wind - dat zijn de doodlopende straten; en dwars door het web loopt kronkelend met zijn verminkte lijf, samengepropt in de grijpgrage tweepoten van de bruggen een donkerblauwe rups- de rivier".
In dit geval heeft Münchhausens (Krzjizjanovski's) fabulerende vertelkunst vooral een poëtisch of esthetisch effect: door de waarheid als fantasma te belijken maat hij hem rijker en grilliger. Soms echter gaat deze fabuleerdrift gepaard met vermakelijke maar ook vrij wrange satire, met name als hij hongersnood, nood aan producten en andere ellende beschrijft uit de Sovjet- Unie rond 1927. Bijvoorbeeld: "{Er] stonden menigten dicht opeenstaande mensen die zich voedden met louter het zicht [...]. Als hoofdgerecht serveerde men een stilleven uit de Hollandse school met de uitbeelding van alle mogelijke etenswaren Daar kwam ook nog de honger naar goederen bij: op de winkelschappen lag behalve stof bijna niets. Het was gewoon bespottelijk dat toen ik een stok nodig had, een doodgewone stok (de trottoirs zitten daar vol gaten en kuilen), de winkels geen stokken met twee uiteinden bleken te hebben: ik moest me tevreden stellen met een stok met maar één uiteinde. Nog een voorbeeld: toen een van de Moskovieten, die door het gebrek aan goederen tot wanhoop was gedreven, zich probeerde op te hangen, bleek het touw van zand gevlochten te zijn: in plaats van met de dood moest hij zich tevreden stellen met kneuzingen. Schandalig gewoon!". Een touw met maar één uiteinde, een touw gevlochten van zand: puur absurd, volkomen ongerijmd. Maar dit is misschien meer dan alleen een verzinsel: wellicht was de werkelijkheid van de Sovjet- Unie in 1927 wel zo ongehoord ongerijmd dat Krzjizjanovski er alleen met dit soort ongerijmdheden op reageren kon. Niet voor niets laat hij Münchhausen de uitspraak doen dat de werkelijkheid in de Sovjet- Unie zijn bizarre fantasieën nog makkelijk overtreft....
Niettemin, Krzjizjanovski was wel een bovengemiddeld getalenteerd fantast, met een groot absurdistisch stijlgevoel. En alleen daardoor krijgt hij dit soort satire op papier. Bovendien is zijn boek naar mijn smaak vooral een ode aan en een voorbeeld van ongerijmde en ongeremde fantasie, door zijn pleidooien daarvoor maar vooral omdat het werkelijk uitpuilt van de idiote fantasma's. Zeker, de satire is soms ook wrang, en het slot van de roman is zonder meer weemoedig. Maar ik werd vooral geraakt door Krzjizjanovski's uitbundige fantasie, en dus heb ik mij met dit boek prima vermaakt.