Citaat 1 p. 36: 'Je werk is fascinerend, zei Specht. Je kunt iets zeldzaams. Iemand laten leven. Zeg niet meteen nee, overweeg het. Je redt er een leven mee. Ik vraag je om een portret. Van mijn zoon. Hij is dood.'
Ik koos voor deze passage omdat de schrijver speelt met de termen leven en dood. Een portretschilderij is iets doods, maar de schilder kan de persoon hierdoor weer tot leven brengen. Specht zijn zoon is dood. Hij stierf vier jaar geleden. Via het portret wil hij zijn zoon weer laten leven en hierdoor zou de schilder Specht zijn leven ook redden omdat die zich dan gelukkiger zou voelen. Het vreemde is dan nog dat zijn zoon niet zijn zoon is en ook in werkelijkheid helemaal niet dood is. Dat blijkt later in het verhaal.
Otten gebruikt figuurlijk taalgebruik: een schilderij blijft iets doods, maar het kan iets tot leven brengen, door de manier waarop het geschilderd is. Met een portret red je ook niet het leven van iemand, tenzij figuurlijk, omdat die persoon zich dan gelukkiger kan voelen.
De situatie is uitzonderlijk en herkenbaar tegelijkertijd. Uitzonderlijk, omdat het waarschijnlijk niet vaak voorvalt dat een schilder gevraagd wordt een portret te tekenen van een dood iemand. Daarnaast is de situatie wel herkenbaar omdat een portret of een foto de herinnering aan een overleden persoon net levend houdt.
Ook verder in het boek komt dit terug ter sprake: Otten schrijft op p. 47-48: ‘Als het jou lukt om mensen te laten geloven dat je Singer naar het leven hebt geschilderd, dan is het mij gelukt om hem voor jou te laten leven. Op deze manier is hij voor niemand dood.’
Citaat 2 p. 59: ‘Het was, ik kan het niet anders zeggen, een splijtend moment. Niet voor schepper, maar voor mij. Hij had zich wel vaker tot mij gericht, met een vraag waar hij het antwoord al op kende. Maar ditmaal was het alsof de vraag niet meer aan mij gesteld werd, maar aan een ander. Aan degene die op mij terecht was gekomen. Aan Singer. Van wie ik maar moest aannemen dat hij het was die er op mij was. Ik merk hoe hulpeloos mijn zinnen worden, mijn grammatica is niet goed bestand tegen mijn geschiedenis. Schepper sprak, als hij tot mij sprak, niet langer meer tot mij.'
Toen ik het boek las, heb ik deze passage wel drie keer na mekaar gelezen, vooraleer ik dit goed had begrepen. Het boek ‘Specht en zoon’ is geschreven in de ik-persoon en de ik-persoon is een schilderij, eerst een wit groot doek, vervolgens een schilderij. Het taalgebruik is niet gemakkelijk. Hij zegt het in het citaat in feite zelf ook: ‘Ik merk hoe hulpeloos mijn zinnen worden, mijn grammatica is niet goed bestand tegen mijn geschiedenis.’ Vandaar ook dat ik deze passage een paar keer heb moeten lezen om echt te begrijpen.
‘Het was een splijtend moment’, duidt volgens mij op het feit dat het blanco schildersdoek dat wachtte om te worden geschilderd nu niet meer blanco is en daardoor in feite ook niet meer is wie hij in het begin van het boek was. Ik vind dit fascinerend geschreven. Het schilderij wordt zo als het ware een dubbele persoonlijkheid: aan de ene kant het blanco doek en aan de andere kant het beschilderde schilderij. Je spreekt ook maar van een schilderij wanneer het doek ook effectief is beschilderd. Eerst praatte de schilder, die het doek ‘Schepper’ noemt, tegen hem, het blanco schildersdoek. ‘Schepper’ creëert, maakt, schept het schilderij. Wanneer het portret van de dode jongen Singer op hem geschilderd is, weet het doek niet meer of de schilder nu effectief nog tegen hem praat of tegen Singer, terwijl het nog steeds hetzelfde doek is, zij het nu beschilderd.
Die ‘dubbele persoonlijkheid’ komt ook weer aan bod op p. 98-99 wanneer het schilderij zich voor de eerste keer in de spiegel zit. Ook dit vind ik fantastisch geschreven. Ik heb het wel opnieuw een paar keer moeten lezen om volledig mee te zijn.
Otten schrijft: ‘Spiegel. Voor. De. Spiegel. Dat was de nieuweling dus. Hij was mij. Dat, hij, daar, aan de overzijde, recht tegenover mij – die keek niet naar mij, hij was mij, hij was precies die ik was. Dat was het dan dus, het kijken in.’
Beide citaten zijn niet eenvoudig geschreven en je moet ze een paar keer gelezen hebben vooraleer je ze echt begrijpt, maar eens je het door hebt, moet je toch bekennen dat dit zeer knap is geschreven.
Citaat 3 p. 129: ‘Het moet eind van de ochtend zijn geweest toen schepper in een gang van het ziekenhuis de sluisdeur zag opengaan en te horen kreeg dat hij de vader van een zoon was geworden. Een achtmaandszoon. Er volgden details met maten en gewichten, maar die hoorde schepper niet, mijn vrouw hoe is het met mijn vrouw. Uw vrouw. De chirurg haalde diep adem en wiste zich het voorhoofd af. Buiten westen maar buiten levensgevaar. Je kon horen dat hij deze zin al eens eerder had gezegd.’
Het hele boek is een enigszins bizar boek. Het feit dat een schilderij de verteller is die het verhaal in de ik-vorm vertelt was in het begin moeilijk om lezen. Het verhaal over het tot leven schilderen van een dood persoon die in feite niet echt dood is, is ook bijzonder en irreëel. Op het einde van het boek lees je dan dit citaat en dat is iets heel herkenbaars, iets dat dagelijks gebeurt. Een vrouw bevalt van een zoon, te vroeg. Hij ligt in de couveuse. Een man wordt vader en is bezorgd om zijn zoon en zijn vrouw. Ik vind dit een hele mooie paragraaf die weer gekoppeld kan worden aan het leven, aan het ontstaan van leven, maar een echt leven deze keer.
Op p. 130 schrijft Otten verder: ‘Hij is naar de kraamafdeling gegaan waar de couveuses zijn en daar heeft hij door een raam naar een poedelnaakt kindje gestaard. Het haalde adem alsof het teugjes vloeibare lucht dronk.’
Een herkenbare situatie, doodgewoon, zeer normaal in ons leven en toch heel speciaal geschreven door het figuurlijk taalgebruik. Ademen is het drinken van teugjes vloeibare lucht.
Otten, W. J. (2005). Specht en zoon (2de editie). Amsterdam, Nederland: Uitgeverij G.A. van Oorschot B.V.
Ik koos voor het gedicht van Lang Leav omdat dit in feite de gevoelens toont van de ik-persoon, het doek, waarop Singer wordt geschilderd. Het doek wordt één met het geschilderde beeld van Singer.
You were you,
and I was I;
we were two,
before our time.
I was you,
before I knew;
and you were me too