Negentiende eeuwse zenuwartsen, Verlichtingsfilosofen en Florentijnse zakenmannen uit het Quattrocento kloegen er al over: een onbeheersbare rusteloosheid die de mens tot kwellens toe voortdrijft. Vandaag meer dan ooit lijkt een toestand van sereen evenwicht en onthechtheid ons te ontsnappen. En toch blijven we er intens van dromen. Ignaas Devisch vraagt zich af hoe dat komt en waarom we het zo lastig hebben om die rusteloosheid te aanvaarden, en zelfs te omarmen als een krachtige impuls tot een rijk en voldoening gevend leven.
In een aantal inleidende hoofdstukken geeft de auteur aan de hand van anekdotische getuigenissen een historische schets van de ervaring van rusteloosheid in de moderniteit. Hieruit blijkt dat het spanningsveld tussen verveling en rusteloosheid geen nieuw fenomeen is. Vervolgens bespreekt hij drie fundamentele maatschappelijke en sociaal-psychologische krachten - met name economisering, secularisering en individualisering - die helpen begrijpen waarom dit zo is.
Het duurt een hele tijd eer Devisch zijn troefkaart op tafel gooit. Immers, er zijn in feite twee variabelen in het spel. Aan de ene kant is er de mate waarin we blootgesteld zijn aan de impuls om steeds intenser te leven. Daarin hebben we als moderne mens nauwelijks de keuze. We zijn nu eenmaal voorgeprogrammeerd om het onderste uit de kan te halen. Een groot deel van de argumentatie van Devisch gaat daarover. Maar of ons dat tot een burnout of een creatieve roes voert, hangt af van een tweede, in dit boek ietwat diffuser belichte variabele, namelijk de mate waarin we die intense activiteit als zinvol ervaren. Toen ik dit las, kon ik niet aan de verleiding weerstaan om die twee variabelen haaks op elkaar te plaatsen. Zo ontstond een eenvoudige maar interessante antropologische lens om het verlangen van de moderne mens mee te analyseren. Een leven in het ‚lage intensiteit-lage zinservaring’ kwadrant staat bloot aan existentiële verveling. Dat is per definitie destructief. Het ‚lage intensiteit-hoge zinservaring’ kwadrant staat in het teken van het contemplatieve bestaan. Voor Devisch zal dit in onze postmoderne tijdsgeest altijd een marginaal gebeuren blijven. Zijn pleidooi voor een ‚mateloos leven’ heeft betrekking op het ‚hoge intensiteit - hoge zinservaring’ deel van de ruimte. Hier worden we voortgedreven door authentieke passie om te excelleren. Druk is hier generatief en leidt tot een rijk bestaan. Het probleem van onze tijd is dat veel mensen vastzitten in het ‚hoge intensiteit - lage zinservaring’ kwadrant. Devisch alludeert op een aantal processen die de hedendaagse mens in dat onrustige (niet: rusteloze) deel van de ervaringsruimte vasthouden: hyperfragmentatie door constante intellectuele en sensorische impulsen, ‚heteronome arbeid’ (70% van werknemers heeft geen of een negatieve emotionele band met hun werkomgeving), en ‚mimetische begeerte’ (waardoor we dingen niet om hun intrinsieke waarde gaan verlangen, maar omdat iemand anders ze heeft). Hoe kunnen we hier mee omgaan? Devisch wil naar eigen zeggen geen zelfhulpboek schrijven en gaat hier niet diep op in. Ongetwijfeld is dit een kwestie van maatschappelijke structuren en oordeelkundige prikkels. Maar ook van de juiste vaardigheden. Kinderen leren vandaag niet om keuzen te maken in overvloed, of om als reflexieve en gepassioneerde ontwerpers hun eigen leven gestalte te geven. Hier schiet ons onderwijs schromelijk tekort. Tot slot wijst Devisch er ook op dat we ook vanuit het generatieve kwadrant weer door de onrust kunnen opgeslorpt worden als we, bijvoorbeeld, een beklimming van de Mont Ventoux als een maatschappelijke plicht of norm gaan beschouwen. Daardoor verliest deze potentieel vormende ervaring haar zingevende kracht.
De grote verdienste van dit boek is de deconstructie van het verlangzamingsdiscours en de sirenenzang van een leven in evenwicht. Volgens de auteur helpt dit ons niet om met de hoge intensiteit van het leven in een geëconomiseerde, geseculariseerde en geïndividualiseerde maatschappij om te gaan. Het boek roept daarentegen op om de kinetiek te omarmen, maar de virtuositeit en het meesterschap te ontwikkelen om er reële voldoening uit te halen. Voorwaar een Nietzscheaanse boodschap, die ook sterk resoneert met het denken van Peter Sloterdijk.
Rusteloosheid is een toegankelijk boek. Persoonlijk geef ik niet zo veel om de badinerende stijl waarvan de filosoof zich hier bedient, maar voor vele lezers zal dit zeker een hulp zijn om zich toegang te verschaffen tot een interessante reflectie over onze hedendaagse condition humaine.