Gareth Steadmam Jones neem 692 pagina’s om het leven en denken van Marx te schilderen. Aan de hand van onder meer de vele publicaties van Marx zelf (artikelen, pamfletten, lezingen, boeken), publicaties over Marx, brieven van en aan hem, biedt de auteur de lezer veel en diepgaande details. Ook over de persoonlijke relaties (privé en zakelijk) wordt in groot detail geschreven. Dat vraagt van de lezer regelmatig bovengemiddelde inspanning. Al die details beklijven uiteraard niet, maar dragen wel bij aan het beeld van een dynamisch en chaotisch leven. Daar waar het Marx’ denken betreft zijn ze vaak wel essentieel om de subtiele maar ook de minder subtiele aspecten te begrijpen.
Karl Marx (1818 - 1883) werd geboren in de Duitse stad Trier, uit een Duitse vader (Hirschel HaLevi/Heinrich Marx 1743-1804) en een Nederlandse moeder (Henriette Presburg, Nijmegen 1788 – Trier 1863). Hij studeerde rechten en filosofie in Bonn en Berlijn. Hij ontwikkelde zich tot activistisch filosoof die de theoretische basis legde voor het marxisme en het communisme. Hij bracht het grootste deel van zijn volwassen leven in armoede door, met name in Londen, waar hij in 1883 stierf.
Ondanks hun verschillende sociale klassen trouwde hij in 1843 met de adellijke Jenny von Westphalen (1814–1881). Zij was zijn jeugdliefde en bleef haar leven lang nauw betrokken bij zijn werk. Jenny was een actieve socialist en feminist. Zij hielp hem bij het kopiëren en corrigeren van zijn manuscripten en fungeerde als zijn klankbord en intellectuele steun. Ze leefden jarenlang in ballingschap en verkeerden vaak in grote financiële nood. Ze kregen zeven kinderen, van wie er slechts drie de volwassen leeftijd bereikten.
Met onder meer David Strauss, Bruno Bauer en Ludwig Feuerbach vormde hij de Jong-Hegelianen. Zij bekritiseerden Hegel omdat ze vonden dat zijn filosofie te conservatief was en de bestaande orde (kerk, staat) verheerlijkte, terwijl zij juist radicale veranderingen wilden. Zij verwierpen zijn theoretisch idealisme ten gunste van een meer aardse materialistische benadering (met name Ludwig Feuerbach: de mens centraal, niet het abstracte 'Geest').
Zij zagen de dialectiek als een motor voor politieke revolutie in plaats van, zoals Hegel, een afsluiting van de geschiedenis.
Hegel had een staatsopvatting waarbij hij onderscheid maakte tussen staat en burgermaatschappij. Marx stond juist een staatkundige eenheid voor, waarbij dit onderscheid verdwenen was (zie zijn ‘Bijdrage aan de kritiek van Hegels filosofie van het recht’, 1843).
Daarnaast was Marx van mening dat de mens weliswaar een natuurlijk wezen was, maar zijn punt van oorsprong was niet de natuur maar de geschiedenis.
En de mens was in staat was zijn activiteit tot ‘het object van zijn wil’ te maken, de ‘zelfactiviteit’.
In zijn periode bij de Rheinische Zeitung (1842-1843) verdedigde Karl Marx vooral de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid als fundamenten van een rationele en vrije staat. Marx betoogde dat censuur de essentie van een vrije geest ondermijnde en onverenigbaar was met de menselijke rede.
In een beroemde reeks artikelen over de ‘diefstal van hout’ verdedigde hij de traditionele rechten van arme boeren. Hij bekritiseerde de overheid die het verzamelen van sprokkelhout strafbaar stelde om de belangen van private grondeigenaren te beschermen.
Steeds meer nam Marx afstand van de abstracte filosofie en ging hij over tot praktische analyse van tastbare materiële belangen en sociale ongelijkheid.
Vanwege zijn radicale politieke ideeën werd hij verbannen uit Duitsland en vertrok hij naar Parijs. Daar ontmoette hij Friedrich Engels, met wie hij zijn leven lang nauw zou samenwerken.
Het Duitse socialisme werd daarom ‘in ballingschop geboren’. Nooit eerder waren Duitse radicalen in staat geweest in hun overtuiging te volharden omdat zij werden geconfronteerd met de starre werkelijkheid van religieuze, monarchale en militaire machten. Elk initiatief voor werkelijke politieke transformatie struikelde over de realiteit van een loyaal, godvrezend, provinciaal denkend volk.
Door de combinatie van theoretische studie, persoonlijke ontmoetingen en de revolutionaire sfeer in de stad, transformeerde Marx tijdens zijn periode in Parijs (oktober 1843 tot februari 1845) van Jong- Hegeliaan tot de grondlegger van het wetenschappelijk socialisme. Hij ontmoette figuren als Pierre-Joseph Proudhon en Heinrich Heine. Hierdoor verlegde hij zijn focus naar economische factoren als basis van maatschappelijke verandering en nam hij meer afstand van theoretische filosofische kritiek. Zijn (2e) ontmoeting met Friedrich Engels (augustus 1844, de 1e was in 1842 in Duitsland) was daarbij de belangrijkste en leidde tot een levenslange vriendschap en samenwerking. Engels' praktische kennis van de arbeidersklasse (via zijn ervaringen in Engeland) vulde Marx' meer theoretische werk goed aan.
Het revolutiejaar 1848 was een periode van opstanden. In bijna heel Europa eisten burgers meer politieke vrijheid, nationale eenheid, grondwetten en sociale verbeteringen. De revoluties werden vooral gedragen door liberalen en nationalisten en daarna pas door de arbeiders. Er waren een aantal successen, zoals de stichting van de Tweede Franse Republiek, maar tegen het einde van 1848 sloegen conservatieve machthebbers terug en mislukten de meeste revoluties.
Marx speelde wel een intellectuele, maar geen leidende politieke rol. Hij was in 1848 medeauteur van het Communistisch Manifest, een oproep tot een wereldwijde revolutie van de arbeidersklasse. In de praktijk miste hij echter de boot omdat de revoluties vooral burgerlijk-liberaal waren en niet proletarisch: arbeiders hadden nog te weinig organisatie en macht. Marx werd bovendien uit verschillende landen verbannen, waardoor hij weinig directe invloed had op de gebeurtenissen.
Ook de onderlinge strijd in het socialistische kamp frustreerde een effectieve invloed. De ene linkse krant bestreed de opvattingen van de andere linkse krant en zo kregen Marx en co het verwijt de intellectuelen te zijn voor wie ‘de honger van de armen louter een wetenschappelijk doctrinair belang heeft’. En werd de politieke strategie bespot omdat het uitbreken van de revolutie in Duitsland afhing van het uitbreken van de revolutie in Frankrijk die weer afhing van het uitbreken van de revolutie in Engeland.
Marx bewoog zich in kringen van Duitse radicalen en journalisten, in socialistische kringen in Parijs, in de kring van Duitse emigranten in Brussel. Hij werd formeel lid van de Bond der Rechtvaardigen (later: Bond der Communisten), van het Communistisch Correspondentie Comité. Hij nam op opportunistische gronden ook deel aan diverse democratische verenigingen, terwijl hij feitelijk geen democraat was.
Hij voerde scholastische disputen in deze veelal kleine sektarische groepen. Hij had niet veel meer dan enkele aanhangers en was niet in staat de werkelijkheid te doorzien. Hij hield constant de mythe in stand dat ‘de revolutie’ niet meer ver af kon zijn en verklaarde elk uitblijven als een stadium in het proces.
Marx leverde kopij voor de periodieken waar hij aan verbonden was, niet zelden was hij zelf de initiatiefnemer: Deutsche-Jahrbucher, Deutsch-Franzosischen Jahrbucher, Rheinische Zeitung, Nue Rheinische Zeitung, Vorwartz!. Maar ook deze activiteiten verliepen als een processie van Echternach: drie stappen voorwaarts, twee terug. De fondsenwerving was onvoldoende, deadlines werden overschreden en de doelgroepen waren te klein.
In het hoofdstuk ‘De betekenis van 1848’ (blz. 356-365) geeft de auteur zicht op de gedachtegang van Marx en legt die naast de feitelijke gebeurtenissen van deze Europese revolutionaire periode.
Dat leidt tot de vaststelling van Marx’ ‘politieke bijziendheid’. Bijna elke politiek-economische crisis voedde Marx’ overtuiging dat de revolutie nabij was.
Marx’ benadering was die van de klassenstrijd, bourgeoisie versus proletariaat, en dit woordgebruik versterkte de rollen die aan deze klassen werden toegeschreven. Het was een politiek-filosofische benadering met weinig wortels in de politieke werkelijkheid van dat moment. De opkomst van bewegingen die namens de arbeidsklasse spraken waren niet (!) het gevolg van economische vooruitgang van het moderne industriële kapitalisme. Zij waren in Frankrijk het politiek effect van de ineenstorting van het Ancien Regime en in Engeland het effect van de politieke mobilisatie van de bevolking na de Amerikaanse- en Franse Revolutie (plus de economische misère door voortdurende gevoerde oorlogen).
Concrete aanleidingen tot opstand waren oogstcrises en aardappelziekte. Die dreven in heel Noord-Europa de voedselprijzen op en verstoorden de economie. Door het wegvallen van de vraag naar huisnijverheidsproducten trok men naar de steden waar, door te weinig werkgelegenheid, massale werkloosheid ontstond. In Parijs richtte de overheid ‘Ateliers Nationaux’ op, werkverschaffingsprojecten om werklozen van enig inkomen te voorzien. Dit initiatief mislukte. Er waren niet genoeg werktuigen en andere middelen, men kon er slechts om de vier werkdagen terecht omdat er te veel deelnemers waren, er werd voornamelijk nutteloos werk verricht want er mocht geen concurrentie ontstaan met bestaande bedrijven. De regering besloot de Ateliers te ontbinden waarna er onder de werklozen een opstand uitbrak: het Juni-oproer.
Deze opstand werd door Marx als klassenstrijd tussen bourgeoisie en proletariaat beschreven.
Maar de eis ‘recht op werk’ werd niet aan de bourgeoisie gericht maar aan de overheid. Met het werk werd de arbeid in de Ateliers Nationaux bedoeld (in feite ging het uiteraard om inkomen). De opstandelingen hadden geen erkende leiders en ze stelden geen politieke eisen. Zij wilden slechts dat de overheid gedane beloften zou nakomen.
In het kader van begripsverwarring is het ook relevant te beseffen wat Marx verstond onder ‘ontmenselijking’.
Het ging daarbij niet om de onmenselijke omstandigheden waaronder arbeiders moesten werken (al was dat inderdaad het geval), maar om de scheiding tussen de arbeider en de vrucht van zijn werk. Daar waar de arbeider in de tijd van de thuisindustrie nog zicht had op hetgeen hij produceerde, en daar voldoening en/of trots aan kon ontlenen, werd door de fabrieksmatige aanpak arbeidsinspanning losgekoppeld van het resultaat. Dát ging, aldus Marx, in tegen de menselijke natuur van de arbeider en leidde tot zijn ontmenselijking.
Dit alles geheel in overeenstemming met het ‘historisch materialisme’ dat ervan uitgaat dat economische en materialistische omstandigheden de basis vormen van de samenleving (in tegenstelling tot het idealisme dat ideeën centraal stelt).
Hoofdstuk 9 beschrijft het chaotische leven van het gezin Marx vanuit privé en openbaar perspectief. De schrijver van ‘Het Kapitaal’ kan niet met geld omgaan. Als het slecht gaat heeft hij het zo druk met het lenen van geld en het ontlopen van schuldeisers dat hij niet aan schrijven, niet aan publiceren en dus niet aan inkomen vergaren toe komt. Daarnaast heeft hij een ongedisciplineerde levensstijl die ten koste gaat van zijn gezondheid en dat van zijn gezin.
Als het hem plotseling goed gaat (hij publiceert met regelmaat, ontvangt met regelmaat vergoedingen en vlak achter elkaar twee erfenissen) dan geeft het gezin Marx in korte tijd zoveel geld uit dat ze met een jaar weer in de financiële problemen zitten. Daar komen dan de huiselijke problemen van kinderen die sterven, een vrouw die depressief wordt en een buitenechtelijk kind bij de huishoudster nog eens bovenop.
Diezelfde chaos geldt ook Marx’ publicaties: krantenartikelen, pamfletten, boeken. De auteur bespreekt deze tegen hun ‘historische achtergrond’, beïnvloed door zijn vasthoudendheid aan zijn theorieën. Zijn voorspellingen met betrekking tot ‘de revolutie’, die hij op vele momenten met zekerheid en definitief ziet beginnen, is lachwekkend. Zijn contacten met andere intellectuelen hebben meestal de vorm van een polemiek omdat zij het niet met hem eens zijn en hij hun wil overtuigen. Ik kan bijna niet anders dan concluderen dat Marx, in dat opzicht, een ‘wappie’ was. De ‘grote denker’ blijkt een ‘kleingeestige gelijk-hebber’.
Marx gaf in deze periode wel uitdrukking aan wat later het ‘historisch materialisme’ ging heten. Volgens Marx ontwikkelde zich dat als volgt (blz. 474/475):
Aan het begin van de geschiedenis karakteriseerden gemeenschappelijk eigendom en communale vormen de sociale verhoudingen. Na de agrarische revolutie en de bevolkingstoename ontstond een grotere verspreiding van ruilrelaties: de handel met individuen buiten de eigen gemeenschap. Gemeenschapssystemen brokkelden af. De verhoudingen werden in toenemende mate onderworpen aan rol van de ‘ruilwaarde’. Deze ontwikkeling verbreedde zich, door een complexe dialectische wisselwerking tussen materie en waarde, tussen verschillende processen van productie en ‘valorisatie’. Het kapitaal ontstond als gevolg van de ontwikkeling van de menselijke productie.
De totaliteit van alle productierelaties vormde de economische structuur van de samenleving. Daaruit volgden vastomlijnde vormen van maatschappelijk bewustzijn. Het was niet het bewustzijn van de mens dat hun bestaan bepaalde, maar hun maatschappelijke bestaan bepaalde hun bewustzijn. Het was een samenleving geworden waarbinnen de mensen zichzelf opvatten als de schepsels van economische krachten en waarbinnen de relaties tussen personen leek te zijn vervangen door de relaties tussen objecten. In een bepaald ontwikkelingsstadium ontstaat er een conflict over de bestaande ‘productierelaties’. Dan begint het tijdperk van de maatschappelijke revolutie.
Marx’ boek, Het Kapitaal, toch een mijlpaal in het politiek economisch denken, moest het niet hebben van ‘Newtoniaanse’ zekerheden. Hij slaagde er niet in een alomvattende kritiek op de politieke economie te formuleren. Wel wist hij de kapitalistische economie te verbinden met historische verschijnselen en daar een kritische analyse van te geven. Hij toonde aan dat economische ontwikkelingen op beslissende wijze waren beïnvloed door politieke bemoeienissen. (En zo werd hij onbewust de stichter van een nieuw onderzoeksgebied: de maatschappelijk economische geschiedenis.)
De IWMA (International Working Men’s Association) werd opgericht in 1864 in Londen. Deze Internationale Arbeidersorganisatie werd bekend als ‘De Internationale’. Het waren de Britse vakbondsleiders die aan de wieg van deze organisatie stonden. Zij maakten geen scherp onderscheid tussen economische en politieke doelstellingen. Op binnenlands gebied waren ze voor het verkrijgen van kiesrecht, op buitenlands gebied wilden zij met hun organisatie onderdrukte volken ondersteunen. Een concreet doel was het bestrijden van de inzet van buitenlandse arbeiders als stakingbrekers. Marx was betrokken bij de oprichting, werd lid van het algemeen bestuur en schreef de ‘inaugurele rede’. Hij wilde de organisatie gebruiken om internationaal een socialistische koers te varen.
Democratische constituties en algemeen kiesrecht genoten uiteraard de voorkeur boven arbitraire decreten en electorale uitsluiting. Arbeiders zouden hun eigen coöperaties en genootschappen vormen. Het bestaande politiek en economisch systeem moest worden vervangen door democratische federaties. Arbeiders zouden collectief eigenaar van de productiemiddelen worden, ook van de grond. De aantrekkingskracht van collectivisme en federalisme was een reactie op het ondemocratische en militaristische staatsbewind na het onderdrukken van de revoluties van 1848.
Maatschappelijke ontwikkelingen (de Frans-Pruisische oorlog, de Parijse Commune) en conflicten met andere politieke denkers (Michail Bakoenin) waren de angels en voetklemmen op het IWMA-pad dat Marx wilde bewandelen.
Het grootste effect van de internationale was uiteindelijk dat er een nieuwe taal voor de sociaaldemocratie was ontstaan: solidariteit, vakbond, vergadering, staking, etc. werden in andere landen overgenomen. De Britse radicalen werden een rolmodel voor heel Europa.
Het transnationalisme was zijn zeggingskracht echter kwijtgeraakt nu de vorming van staten niet meer synoniem was aan de ambitie om republieken te vestigen. Nationalisme en republikeins denken waren voortaan van elkaar gescheiden. De moeilijkheid van ‘de macht van onderop’ was hoe die een stabiele institutionele vorm moest krijgen. Langzaamaan verloor het federalisme haar aantrekkingskracht. Het werd vervangen door sociaaldemocratische partijen die vasthielden aan het principe van vertegenwoordiging.
Bovendien was de economische basis voor vakbondssolidariteit gekrompen.
De opkomst en het succes van de sociaaldemocratische partij in Duitsland (in 1871 kreeg deze 124.000 stemmen, 493.000 stemmen in 1877 en in 1890 zelfs 1.429.000) leidde in andere landen tot de wens dit succes in eigen land te herhalen.
Maar in Duitsland zag de conservatieve Pruisische aristocraat Otto von Bismarck de socialisten als een bedreiging voor de staat en de monarchie. Duitsland was nog geen parlementaire democratie, de regering werd benoemd door de keizer. De socialistische partij had echter zetels in de Rijksdag en kon in het parlement wel stemmen. Bismarck creëerde een autoritaire conservatieve staat waarbij het democraten, liberalen en socialisten vrijwel onmogelijk werd gemaakt toe te treden tot regeringsmacht. Dit waren omstandigheden waaronder een vorm van ‘marxisme’ een bruikbare oplossing voor de socialistische partij kon bieden.
Juist in die periode publiceerde Engels de polemiek ‘Dhr. Eugen Duhrings omwenteling in de wetenschap’, kortweg ‘De anti-Duhring’. Uit dit boek leerde de jonge generatie wat wetenschappelijk socialisme was. Pas door Anti-Duhring, een meer filosofische blik op de wereld, leerden zij Het Kapitaal begrijpen (met name de begrippen historisch materialisme en overwaarde in relatie tot de kapitalistische productiemethode). Wat Marx via de Internationale niet was gelukt werd hier door Engels waargemaakt.
In het hoofdstuk ‘Karls plaats in de opkomst van het Marxisme’ (blz. 657), stelt de auteur de intrigerende vraag: ‘in hoeverre was Karls theorie verantwoordelijk voor wat in de jaren 1880 en later bekend zou worden als het marxisme?’.
Hij schets daarna de diverse omstandigheden (ziekte, intellectueel onvermogen, verminderde energie) waardoor Marx steeds meer zijn kameraad Engels namens hem liet optreden. Ook dat Marx, bij gebrek aan een regulier inkomen en zonder zicht op erfenissen, steeds afhankelijker werd van de bemiddelde Engels.
Op drie punten ziet de auteur een verschil tussen ‘het marxisme’ en de opvattingen van Marx zelf:
(deze bespreking gaat door en sluit af in de eerste 'comment')