Een vijftigjarige man gaat op zoek naar zijn tien jaar jongere, enige zus. En dat terwijl hij toch weet waar zij zich bevindt: in het mortuarium van een ziekenhuis. De vorige avond is ze met spoed opgenomen. Tevergeefs. De dag na haar plotselinge dood doolt hij urenlang door haar huis, alleen, zoals hij dat tegelijkertijd doet in zijn herinneringen – aan haar, en aan zijn eigen zelfzuchtige afzijdigheid bij haar ondergang. Ondertussen staat zijn eerste boek op punt van uitkomen: een onthullende roman over zijn kindertijd en zijn familie in een achterbuurt. 'Bloed krijg je er nooit meer' uit prikkelt en schrijnt zoals het treurigstemmende leven van zijn zus schuurt, tot het ongemak oplost in een bevrijdende lach. Tijdelijk.
Ik las dit graag, deze familiegeschiedenis. Over de schaamte voor je achtergrond, hoe die van je een onmens maakt die zijn eigen familie in de steek laat. Eerlijk, scherp, helder en in de details precies beschreven. Dan neem je op de koop toe dat het verhaal van langsom meer expliciet wordt, soms té.
Bloed krijg je er nooit meer uit is de vijfde roman van Philip Snijder. Hoewel het perfect als alleenstaand boek kan gelezen worden, heb je omwille van het autobiografische karakter van Snijders werk meer inzicht in de gebeurtenissen wanneer je ook zijn vorige romans kent. Zo zal de proloog van dit boek zeer herkenbaar zijn voor de lezers van Snijders debuut Zondagsgeld (2007). Opnieuw kruipt hij in de rol van het 10-jarige jongetje dat zijn ouders en familie met steeds grotere argwaan gadeslaat. Pijnlijk grappig wordt beschreven hoe hij in plaats van de hond die hij zo graag wilt een zusje, Francien, krijgt.
Na de proloog springt het boek veertig jaar vooruit in de tijd, naar het moment waarop Snijders debuut klaar is om gepubliceerd te worden. Op dat moment maakt zijn zus al lang geen deel meer uit van zijn leven. De dood van hun vader in 1983 betekende immers niet alleen het definitieve einde van het huwelijk van zijn ouders, die poel van gistend ongeluk, van slaande ruzies en loodzware zwijgperiodes, maar ook van het contact tussen de auteur en zijn familie. Snijder lijkt zijn leven helemaal in orde te hebben tot een telefoontje hem regelrecht het verleden in katapulteert: zijn zus is opgenomen in het ziekenhuis, zijn aanwezigheid wordt dringend gevraagd. Hij springt in een taxi, maar komt te laat. In een poging om afscheid te nemen van de zus die eigenlijk al uit zijn leven verdwenen was, bezoekt hij de dag na haar overlijden haar appartement.
De evolutie die hij doormaakt vanaf het telefoongesprek tot zijn aanwezigheid in haar appartement wordt in korte hoofdstukken beschreven. Tijdens die tijdspanne wordt hij voortdurend heen en weer geslingerd tussen heden en verleden. De vele flash-backs zouden van het boek een opsomming van anekdotes kunnen maken, maar elk onderdeel past perfect in het geheel. Op die manier krijgt de lezer de kans om zowel de afgelopen 24 uur als de scheiding tussen de auteur en zijn zus te reconstrueren.
Net als in zijn vorige romans combineert Snijder op meesterlijke wijze tristesse met humor. Soms subtiel, soms bijzonder onthullend, maar nooit met een woord te veel beschrijft hij trefzeker zijn vroegere en huidige leefwereld. Met schijnbaar gemak licht hij alledaagse details uit en schept op die manier een realistisch tijdsbeeld: Die zaterdagavond waren mijn vader en ik al bij het vroege testbeeld voor het tv-meubel gaan zitten, hij in een leunstoel, ik op de grond voor zijn in nylonsokken gestoken voeten. De weeë, licht zilte geur die daarvan loskwam als hij ze over elkaar wreef, was me nooit onaangenaam. Ik werd er rustig van, dromerig soms.
Ook de thematiek van schuld en berouw die zijn werk kenmerkt, wordt opnieuw opgepikt. Dit boek onderscheidt zich echter van de vorige door de klemtoon die gelegd wordt op het schrijverschap. Snijder legt doorheen het boek uit hoe Zondagsgeld tot stand kwam en staat onder meer stil bij de dichterlijke vrijheid van een auteur. Op de beschuldigingen dat hij liegt over zijn vaders achtergrond reageert hij bijvoorbeeld laconiek: […] ik had de schoolopleiding van de vader in het verhaal zo schamel mogelijk willen houden om zo de hem opgedwongen status van ‘intellectueel van het Bickerseiland’ extra ongerijmd te maken.
De confrontatie met de familieleden die hij in zijn boek opvoert doet sterk denken aan de autobiografische roman Vrouw van Karl Ove Knausgård. Ook hier balanceert de auteur tussen enerzijds afstandelijkheid en trots en anderzijds schaamte en schuld. Snijder wil zijn familie liever niet ontmoeten, maar door de omstandigheden is dat onvermijdelijk: ‘De hele familie’, de mensen dus, bedacht ik opeens met schrik, over wie ik de laatste maanden aan het schrijven was geweest. […] Jaren had ik geen enkel contact met ze gehad, en nu zou ik ze gaan weerzien terwijl ik net, zonder dat ze daar iets van wisten, een kijkdoos van letters over ze had geknutseld.”
Hoewel Snijders stijl minder extreem is, neemt hij net als Knausgård geen blad voor de mond. Alles wordt meedogenloos geregistreerd, van de afschuw die hij voelt wanneer hij kijkt naar zijn moeders vale, slaperige gezicht waarin de oogleden telkens lodderig omlaag zakten tot het uiterlijk van zijn zus: […] stilettopumps, een jurk als een volgehangen kerstboom, haar gezicht zo dik besmeerd met make-up dat ze mishandeld lijkt (wat, bedenk ik nu, niet eens onmogelijk is), oorbellen waarvan ze tijdens het lopen het gewicht in haar knieën moet hebben gevoeld. Op haar hoofd een hoge berenmuts van krullen waarin, tussen de donkere delen, wel drie tinten blond zijn te tellen.
Niet geremd door zelfcensuur worden ook gebeurtenissen als zijn ontmaagding en zijn urologische mankementen uitvoerig uit de doeken gedaan. Ondanks de stevige dosis zelfspot, overheerst zijn schuldgevoel. Hij stelt zichzelf continu in vraag en toont zich kwetsbaar in zijn vertwijfeling: Al die mensen daar, met hun lelijke kleren, hun lelijke kapsels, hun lelijke sieraden, hun lelijke taal, al die mensen met wie je eigenlijk niet gezien wilt worden, hebben stuk voor stuk oneindig veel meer gedaan om jouw zusje, jouw enige zusje, te redden uit haar grote ellende – waarvan je wist; waarvan je, ondanks je afwezigheid, ondanks de afstand, ondanks je zo gedisciplineerd volgehouden doof-en blindheid, al die jaren hebt geweten – dan jij, haar enige broer, degene – ook dat heb je altijd geweten, altijd – naar wiens gezelschap, bijstand, steun, liefde ze vanuit het diepst van haar ziel zo heeft gehunkerd.
De thematiek, de schrijfstijl, de structuur; alles in dit boek klopt. Zelfs de cover, een schilderij van Leo Schatz, sluit naadloos aan bij de inhoud. Net als Snijder is Schatz opgegroeid in een Amsterdamse arbeiderswijk en lag zijn carrière als kunstenaar alles behalve voor de hand. Op het schilderij zit een man voor zich uit te staren. Rood is de hoofdtoon, alles straalt somberheid uit. Net zoals Franciens bloed onuitwisbare sporen in de kussens van haar zetel heeft achtergelaten, kleeft haar herinnering voor altijd vast aan de auteur. De warme intimiteit die hij voor zijn vader reserveerde, voelt hij uiteindelijk ook voor zijn zus. Met het laatste hoofdstuk beantwoordt hij ondubbelzinnig de vraag die de taxichauffeur hem nietsvermoedend stelde; ‘Houdt u veel van uw zus?’ .
Bloed krijg je er nooit meer uit is even hardvochtig als kwetsbaar geschreven. Het resultaat is een prachtige roman over de complexiteit van familiebanden.
Ik las dit boek als drukproef, met dank aan uitgeverij Atlas Contact.
Werkelijk een prachtig boek. Met eerlijkheid kijkt de hoofdpersoon naar zijn laffe, afwezige/afwijzende gedrag richting moeder, zus en neef. Hij heeft ze laten vallen en de dood van zijn zus is de aanleiding om daar naar te durven kijken.
De eerste pagina's riepen verwachtingen op die het boek voor mij niet waarmaakten. Ik kon me totaal niet inleven in de vol zelfmedelijden vervulde hoofdpersoon. Hij projecteert van alles op zijn zus zonder enig gevoel voor wat andere denken. Mij ergernis verpestte al het leesplezier.
Dit was als kort verhaal sterker geweest denk ik. Te veel herhaling, te veel van hetzelfde, te veel woorden. En hoe en wanneer heeft hij eigenlijk afstand genomen van zijn familie? Hij vertelt alleen dat hij dat gedaan heeft, niet hoe. Vreemde onderbelichting bij alle overbelichting.....
'Het was me, vond ik, al met al goed gelukt mijn familie, moeder en zus incluis, weg te gummen uit het boek van mijn leven. Dat er op die gumplekken door al het fanatieke en langdurige schuren lelijke grauwe vlekken waren ontstaan waaruit spookgezichten naar me staarden, daar wenste ik me niets van aan te trekken.'
Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder verhaalt over een naamloze hoofdpersoon, die te horen krijgt dat zijn tien jaar jongere zus Francien in kritieke toestand naar het ziekenhuis is gebracht. Het contact is al tientallen jaren minimaal, toch gaat de hoofdpersoon onmiddellijk naar het ziekenhuis. Die maandagavond overlijdt Francien. Dinsdag gaat de hoofdpersoon naar het huis van zijn zus en haalt daar herinneringen op. Door middel van flashbacks komt de lezer erachter waarom er een verwijdering is ontstaan tussen de hoofdpersoon en zijn familie. De hoofdpersoon heeft zich aan zijn arme milieu ontworsteld. Hij gaat als een van weinigen in zijn familie studeren, wordt schrijver en staat op het punt zijn debuutroman te publiceren. Zijn familie is er een van arbeiders, van mensen die geen boeken lezen.
Francien heeft een ongelukkig huwelijk gehad met een crimineel, heeft op jonge leeftijd een kind gekregen van een onbekende vader en is jong en eenzaam gestorven. Ze heeft een paar keer geprobeerd het contact met haar broer te herstellen, maar hij wees haar af. Het overlijden van zijn zus zet de hoofdpersoon aan het denken. Had hij meer moeten doen om haar te redden? Had hij ervoor kunnen zorgen dat Francien een gelukkiger leven had gehad? En heeft hij wel echt afstand genomen van zijn familie? Bloed krijg je er tenslotte nooit meer uit, zo leert ons de titel van dit boek.
Snijder schrijft heel gedetailleerd. Pijnlijk precies ontleedt hij de relatie tussen de hoofdpersoon en zijn familie en in het bijzonder zus Francien. Door deze schrijfstijl is Bloed krijg je er nooit meer uit geen pageturner geworden. Het is een boek dat je rustig tot je moet nemen en dat je aan het denken zet. Over familiebanden, over verantwoordelijkheid voor andermans geluk en over het volgen van je eigen dromen.
Deze roman leest makkelijk. De stijl is over het algemeen fijn en je nieuwsgierigheid als lezer wordt vastgehouden. Maar het boek had een stuk korter kunnen zijn. Moeten zijn misschien wel. In een bondiger verhaal was de kracht waarschijnlijk een stuk sterker geweest.
In de overbodig lijkende proloog maken we kennis met de hoofdpersoon en de omgeving waarin zijn zusje wordt verwekt. Zowel de aanleiding voor die verwekking – de ‘boekies’ die zijn ouders doorgeschoven krijgen en hen blijkbaar in de stemming brengen, als die verwekking zelf worden besproken. Vervolgens begint het eerste hoofdstuk de dag na het overlijden van de betreffende zus.
In het boek wordt geschakeld tussen enerzijds het moment waarop de hoofdpersoon op de hoogte wordt gesteld van de ziekenhuisopname van zijn zus (tot het moment van haar vastgestelde overlijden) en anderzijds de zoektocht van de hoofdpersoon door het huis van zijn overleden zus. De verhaallijn over het overlijden in het ziekenhuis is alleen voor de reden van overlijden relevant. De rest van dit gelukkig kortere deel van het boek lijkt louter als bladvulling te gelden. Het andere deel van het verhaal is daarentegen zeker interessant. Langzaamaan wordt, aan de hand van herinneringen, in flarden, de relatie tussen broer en zus geschetst. Of eigenlijk het ontbreken daarvan. Waarbij het verleden van de hoofdpersoon zelf meer aan het licht komt dan dat van zijn zusje, ook omdat daarmee het verschil tussen de twee duidelijk wordt. Het verloop van de opgehaalde herinneringen bouwt de spanning op naar de herinnering aan de laatste echte ontmoeting tussen broer en zus.
Afstand nemen van je familie is meestal deels bewust en deels een proces. Hoe het loopt. Onbegrip over keuzes en handelingen. Maar afstand nemen is zelf ook een handeling, en hoe langer je dat volhoudt, hoe moeilijker het wordt om er nog iets aan te doen. Op het moment dat je bedenkt dat je het misschien anders had moeten doen heb je de tijd die voorbij is alvast verspeeld. Want je kunt pas spijt hebben als het te laat is.
Meteen vanaf de eerste bladzijde zat ik in het verhaal. Geen grachtengordel, maar Bickerseiland. Dat zorgt voor beschrijvingen van een volksbuurt waar mensen en families nauw bij elkaar betrokken zijn. De oudere broer ontworstelt zich aan het volkse milieu, het veel jongere zusje heeft moeite zich staande te houden. Hun relatie loopt als een rode draad door het boek. Intens en emotioneel boek.