In 1982, drie weken voor mijn twaalfde verjaardag, mocht ik voor het eerst met mijn oom mee, achterop de motor naar een nationale race in Helmond. In datzelfde jaar won een jonge, onbekende Amerikaan voor de Grand Prix van Belgie op Francorchamps. Deze Freddie Spencer werd een jaar later de jongste wereldkampioen ooit in de 500 cc, de koningsklasse.
Als jongen verslond ik alles wat met GP wegracen op motoren te maken had, vooral van de koningsklasse. En dat is altijd zo gebleven. Fast Freddie Spencer is, om het zo te zeggen, een oude bekende. Eigenlijk heeft hij een hele rare loopbaan gehad in de racerij. Hij kwam in 1982 uit het niets en veroverde zoals gezegd in 1983 het wereldkampioenschap in een epische strijd met King Kenny Roberts.
Een jaar later ging het vanaf het begin mis door pech en verloor hij de titel aan Steady Eddie Lawson (die Amerikanen hadden geweldige bijnamen). Maar in 1985 kwam hij terug en hoe. Hij besloot in twee klassen tegelijk mee te doen. Honda bouwde speciaal voor hem een 250 naast de 500. Spencer presteerde dat jaar het onmogelijke door in beide klassen wereldkampioen te worden.
Hij had bewezen absoluut de snelste man op twee wielen te zijn. Het of hij zonder moeite reed, alsof het hem kwam aanwaaien. Maar na 1985 was het voorbij. Voorgoed. Spencer kampte met een oneindige reeks pechgevallen en blessures. Hij maakte diverse come-backs, maar het ging hem steeds slechter af. Hij was zijn mojo kwijt. Soms viel hij uit met ogenschijnlijk futiele oorzaken, zoals een verloren contactlens.
In de pers werd hij smalend omgedoopt van Fast Freddie tot Past Freddie. Hoewel hij nooit een onvertogen woord zei, werd hij nooit echt geliefd in Europa. Honda was het team met het meeste geld en de introverte Freddie werd beschouwd als een ‘ knappe jongen’, een primadonna, die zich te snel uit het veld liet slaan. Er werd heel wat in vuistjes gelachen.
Zijn biografie Feel werpt een ander licht op de zaak. Mij is duidelijk geworden dat een aantal verhaaltjes uit de pers, die ook ik geloofde, onwaar zijn. Zo werd bijvoorbeeld altijd gezegd dat Spencer diepgelovig was, of zelfs een Mormoon. De werkelijkheid is dat hij wel uit het diepe zuiden komt (Shreveport, Louisiana), maar dat hij noch zijn ouders kerkgangers waren. Ook blijkt dat Freddie Spencer voor ons Europeanen wel uit het niets leek te komen, maar dat hij daarvoor ongelofelijk hard heeft gewerkt vanaf zijn kindertijd.
Een ander voorbeeld: in het jaarboek Grand Prix Wegrace 1984 staat dat Freddie zijn enkel had gekneusd bij de openings-GP in Zuid-Afrika. Van de dokter mocht hij rijden, maar het prinsje had er kennelijk geen zin in met een blauwe plek op zijn voetje. Zo staat het er niet letterlijk, maar zo kwam het wel over. Racers willen altijd rijden, al liggen ze helemaal in de kreukels. Maar in Feel lees ik dat het niet om een simpel ongemak ging: Spencer had in zijn ene voet veertien en in de andere zestien fracturen. Het heeft vele jaren geduurd voor hij weer normaal en zonder pijnstillers kon lopen. Toch wel even een ander verhaal.
Alleen al om deze reden ben ik blij dat ik Feel heb gelezen. Hij beschrijft niet alleen de gloriejaren, maar ook de vele tegenslagen, zowel als sportman als in zijn privéleven. Duidelijk wordt hoeveel druk er op de toppers staat. Hij vertelt niet alleen over zijn sportloopbaan, maar ook over zijn spirituele ontwikkeling. Zweverig wordt het niet, want Freddie Spencer is geen primadonna maar een echte racer, nog steeds.
Het is geweldig dat hij, als een van de meest legendarische coureurs ooit, tegenwoordig na elke race een beschouwing houdt. Ook in Feel geeft hij een paar prachtige inzichten in het wezen van het racen. Hint: het draait daarbij niet om adrenaline, verslaving aan risico of zelfmoordneigingen. Waar het wel om gaat weet elke liefhebber. Spencer weet het mooi onder woorden te brengen. Feel is een prachtig boek.