“Het geluid is enorm, bulderend, maar dat is vooral omdat je het niet verwacht, je loopt het duin op, je worstelt om je voeten van de helling omhoog te trekken, een tijd lang bestaat er niets anders voor je dan dat zuigende vacuüm onder het zand, en in één klap explodeert de ruimte, je kijkt op en de top van het duin is naar beneden opengespleten, je ziet iets als twee reusachtige, gespreide armen, maar dat is het eigenlijk niet, het verwelkomt je niet, het is meer dat je geen keuze hebt (…). Het is moeilijk de rand van dat ding te zien, uit te maken waar de grens zich precies bevindt, op welke afstand. Eerst ben je tegen het duin op geklommen, je hoorde het geluid al, maar je voelde nog niets op je gezicht, dat naar het zand gebogen was, in de rosse geur van het zand, toen werd het geluid groter, alsof het doorliep tot achter je hoofd, een geluid van driehonderdzestig graden, terwijl de zee daar voor je ligt, in je gezicht blaast, het zweet van de klim van je gezicht veegt, een knisperend blazen, zilt maar niet vochtig, gedroogd door de uitgestrektheid van het nog nazinderende zand.”
3,5*
De taal is weelderig, sprankelend, sprakeloos mooi (en prachtig vertaald door Mirjam de Veth). Er staan ook zo'n originele poëtische vondsten in (bv. 'De takken knipten het donker in stukken, het bos sloot haar in.')
Helaas verdwijnen sommige taalpareltjes door de ingewikkelde vertelstructuur: de gedachten van de personages worden constant afgewisseld, terwijl zij niet van elkaar onderscheiden worden door een streepje witruimte. Ik vond het best frustrerend om pas na drie zinnen te beseffen dat ik opnieuw in een ander hoofd zat. Hierdoor dook ik nooit helemaal tot in de diepte van het verhaal.
En tegelijkertijd heb ik ook genoten van dit bijzondere boek. Het is eentje waar ik nog lang aan ga denken en wil herlezen.