Reflecties op de onbestendigheid en kracht van woorden
Er is geen menselijke kracht die nog kan veranderen wat eenmaal is begonnen, omdat het onmogelijk is om anders te handelen, omdat oorzaken, argumenten, meningen en feiten de mensen gedwongen hebben het te laten beginnen. (pp. 14-15)
---
De vrouw van de ambtenaar had in een ver verleden zelfmoord gepleegd. Het volgende gesprek was een van de tekenen waaraan de ambtenaar later terugdacht.
Wat wilde hij dan nog in het leven? had zij gevraagd. [...] In het leven, had hij geantwoord - hij kon het zich woordelijk herinneren - wilde hij uitsluitend zijn plicht doen. De vrouw moest lachen. Ze lachte, niet eens spottend, maar misnoegd, alsof ze iets wist en het zeer betreurde dat ze haar ervaringen niet kon doorgeven aan deze onbevattelijke man. (p. 45)
---
Ja, ik probeer de verschijnselen en fenomenen alweer in menselijke termen te vatten. Maar wat kan ik anders, ik ben toch ook een mens? (pp. 75)
---
Iedere dag en elke week waarmee wij dit lot voor ons uit kunnen schuiven, is een groot geschenk, en boven de formuleerkunst uit, die mijn vak is, of juist door hem te gebruiken, wil ik die andere plicht vervullen, opdat de huizen, waar mensen wonen wier lot met het mijne verbonden is, op hun plaats blijven staan, samen met alles wat hun muren verbergen. (p. 162)
---
De werkelijkheid zegt altijd meer dan alles wat we met woorden over de werkelijkheid kunnen zeggen. (p. 174)
---
Woorden hebben evenveel waarde en inhoud als bommen. (p. 184)
---
Ieder mens is het in dezelfde mate waardig dat zijn lot zich voltrekt. En binnen het grote lot, de oorlog, voltrekt zich bij de mensen het andere lot, het kleine, het volledige. (pp. 15-16)
---
Morgen voltrekt zich het gecomprimeerde en onpersoonlijke lot waarin een afzonderlijk mens alleen nog maar een statistisch cijfer zal zijn. Om één mens kun je rouwen, maar een miljoen of tien miljoen mensen kun je alleen nog maar nalopen, zakelijk, als een lange tabel vol cijfers. De cijfers hebben dat in de gaten en willen dingen meemaken. De theaters zullen straks volstromen, de restaurants zullen uitpuilen en iedereen is straks uit op belevenissen en op liefde. En jij, waar ben jij op uit? vraagt hij in het halfduister. (p. 64)
---
Het oude Europa
Het is een groots beeld. Alle elementen van een cultuurritueel zitten erin besloten: muziek, architectuur, mannen en vrouwen in avondkleding, een zekere overgave en betovering, de tempelsfeer van de Kunst. Dit was Europa, denkt hij. [...] Nu zijn ze er nog, de mensen en de cultuur, en het lot houdt ze in zijn onverschillige hand. En op dit mooie feest, op het moment dat de ouverture van de opera klinkt, voelen en missen ze iets. Ze voelen dat hun lot hun niet meer helemaal toebehoort: het lot van ieder mens in Europa is in een statistisch cijfer veranderd. (pp. 87-88)
---
Het lot rammelde al aan de poort en de mensen sliepen. Dat is ook zoiets wonderbaarlijks. Soms bestaat het leven wel degelijk uit meer dan alleen bestaan. Soms bestaat het leven uit handeling. Soms ontwaak je uit de sluimerroes van het bestaan en stel je ineens vast dat je je in het middelpunt van de handeling bevindt, als een arme, onvoorbereide toneelspeler. (p. 125)
---
Geheimen: zwijgen en iets weten
Vijf, misschien zes personen weten op dit ogenblik wat er morgenochtend te gebeuren staat, het bericht en de mededeling voor allen... maar op dit moment zijn er nog slechts zes die de waarheid kennen. [...] De mensen hier beneden in de zaal en in de loges zullen de waarheid waarschijnlijk nog niet kennen, maar het lijkt erop dat er in de wereld geen geheimen meer bestaan. [...] Ze weten nog van niets, ze hebben nog niet naar de radio geluisterd en de kranten nog niet gelezen. Maar ze lijken ook zonder kranten of radio datgene te weten dat in een wezenlijk verband staat met hun lot. (p. 87)
---
Het was doodstil, heel Frankrijk lag te slapen; alleen de soldaten en de verliefde zielen waakten. Niemand die iets wist. Maar de man naast me was een van de heel weinigen die die nacht wel iets wisten, hij wist dat deze nacht misschien de laatste rustige nacht in Parijs zou zijn. [...] Ze sliepen, maar ze droomden onrustig, omdat de mensen diep van binnen de waarheid kennen, al kunnen ze die niet in woorden en cijfers vatten. De mensen wisten dat het lot in die dagen een wending nam, dat er iets in gang was gezet, dat er ergens ter wereld krachten in beweging waren gekomen... en de verliefden kropen die nacht wat dichter tegen elkaar aan. (p. 123)
---
'Ken je dat gevoel?' vraagt ze, bijna ruw, onwillekeurig, ongegeneerd. 'Dat gevoel van macht? Dat de mensen om je heen denken dat ze machtig zijn, terwijl jij ondertussen weet dat ze morgen of overmorgen minder, zwakker en armer zullen zijn dan de ellendigsten onder degenen die hen nu nog dienen en die hun bevelen blindelings en onderdanig uitvoeren? Ken je dat? Het is een bijzonder gevoel. Aardse macht komt in allerlei vormen voor en dit stilzwijgende weten te midden van de mensen is niet de minst verleidelijke. Wie dat gevoel eenmaal geproefd heeft, kan moeilijk meer zonder. Dat je onder de mensen leeft, een rol speelt in het maatschappelijke theater, volgens de bekende conventies praat en glimlacht en ondertussen weet hebt van het lot van die mensen, iets anders, iets meer, iets fatalers dan zij zelf weten.' (p. 134)
---
Duplicaten en nuances
Het fenomeen van dubbelgangers, door Marai beschreven als 'duplicaten,' die precies gelijken op een persoon waar je van houdt, doet de ambtenaar de liefde en zijn eigenheid overpeinzen.
Een mens gaat er immers van uit van één ander te houden, van iets persoonlijks, van iets tragisch en verheven individueels.
[...]
Ik weet dat mijn ziel zich onderscheidt. Niet dat mijn ziel beter, wijzer of zelfs maar bijzonderder is dan die van een ander, maar wel anders, en daaraan kan zelfs Gods wil niets veranderen.
[...]
Alleen mijn ziel onderscheidt zich. Het bestaan voltrekt zich in mijn lichaam in een soort vormentaal waar ik niet veel mee van doen heb. (pp. 71-72)
---
Het leven bestaat uit voortzetting en herhaling, maar tegelijkertijd ook, en dat is het belangrijkste: de nuance.
De situaties keren terug, dat heb jij zelf ook gezegd, en daarbinnen keren de personen en de geheimen terug, maar de nuances zijn anders. (p. 141)
Wat is die nuance? De temperatuur van een levensgevoel, de intensiteit van het antwoord waarmee de eeuwige acteur op het eeuwige filmbeeld reageert op een situatie in de mens en in de wereld: dat is het onderscheid dat de basis is van de persoonlijkheid. (p. 142)
Want ook jij bent meer dan alleen voortzetting en herhaling. Dat is het wat wij mensen als mengvormen met ons meetorsen. Daarmee strijden we, dat bevragen we, dat durft zijn gezicht in opstandige ogenblikken naar God toe te wenden, dat maakt jou en mij wie wij zijn. En dat zoeken wij in de ander, met afgunstige hartstocht, de nuance en het onderscheid, en daar binden wij de strijd mee aan, doodsbang om het te verliezen. (p. 143)
---
De dialoog
De ambtenaar en de vrouw hebben elkaar beiden iets te vertellen. De vrouw confronteert de man met de luxe waarin hij en de Hongaarse samenleving zich op dit moment nog in bevinden, zonder nog al te veel oorlogsleed te hebben meegemaakt terwijl de oorlog al andere delen van Europa en de wereld heeft getroffen. De manier waarop de samenleving nog gewoon doorgaat heeft iets schrijnends voor haar. Ze waarschuwt de man en denkt terug aan haar ervaringen vlak voor de oorlog haar heeft getroffen. De periode waarin Hongarije nu verkeert noemt ze een 'schemeroorlog:'
ZIJ: Vanavond heb ik dat schouwspel opnieuw gezien: beeldschone vrouwen en goed geklede mannen, midden onder de oorlog, alles om zich heen vergetend, alsof de oorlog zich ergens heel ver weg afspeelt, alsof alles wat het leven mooi en sprankelend maakt nog functioneert, alsof de huizen bij ons en overal ter wereld vannacht niet in brand staan en er geen moeders door de puinhopen lopen te scharrelen omdat hun kroost onder de ingestorte kelders is bedolven. Alsof het leven nog steeds een sprookjesachtig, lichtvoetig en verrukkelijk feest is. Het is lang geleden dat ik dat heb gezien. [...] Terwijl de wereld brandt, eerst die operavoorstelling en daarna dat aangename uur in dat chique restaurant, waar prachtige vrouwen en voorname heren zorgeloos zaten te dineren. Een zorgeloze stad.
HIJ reageert.
ZIJ: U leeft immers in vrede, u heeft met de oorlog niets te maken.
HIJ: Ik denk dat iedereen die op dit moment leeft, met de oorlog te maken heeft.
Een kleine uitwisseling volgt.
ZIJ: De werkelijkheid is anders. U kent de werkelijkheid nog niet. Ik hoop dat u haar nooit zult kennen. Maar toen ik me in de kelder realiseerde dat mijn vaders huis boven mijn hoofd was ingestort, wist ik wat de werkelijkheid was. En alles wat ik tot dan toe had gehoord, gedacht of gelezen, was alleen maar een droom geweest, even mistig en onscherp als droombeelden... de hele wereld. [...] Het was niet zo'n groot huis, maar het was óns huis, begrijpt u? Het enige huis ter wereld waar ik wist wat er in alle laatjes zat. [...] Dat was de werkelijkheid. En wie het niet heeft meegemaakt, wie niet wee hoe het is om in een kelder te zitten, terwijl alles boven je hoofd instort en alles wat tot het leven van een familie heeft behoord en wat een jeugd heeft betekend tot as vergaat, die weet misschien ook niet werkelijk wat dit voor oorlog is.
HIJ: We hebben er het nodige over gehoord.
ZIJ: Gehoord en gelezen, ja. En misschien ook de beelden gezien in de bladen en in de bioscoop. Maar om alles te horen instorten wat een familie heeft opgebouwd en verzameld, dat is andere koek. [...] Een mens heeft in zijn leven ook maar één ouderlijk huis, niet meer dan één, en dat kan maar één keer instorten als het door een voltreffer wordt geraakt. (pp. 91-94)
---
Nu is het de beurt aan de man. Hij moet het weten: komen zijn voorkomen, zijn appartement, etc. de vrouw bekend voor?
ZIJ: Wil je soms zeggen dat ik niet helemaal ik ben? Wat een idee, beste vriend!
HIJ: Een boos idee. En onthutsend, ook voor mij. Maar iets anders kan ik niet zeggen.
ZIJ: En jij? Waar kom jij dan vandaan en wie ben jij, voor jezelf en voor mij? We zullen de weg kwijtraken als we zo in onszelf en tussen elkaar ronddolen. Ben je daar niet bang voor?
HIJ: Een beetje. Ik denk dat ik in het leven nergens anders bang voor ben, alleen daarvoor. En dat deze nacht moest komen om dat te weten te komen. Nu weet ik het. De afgelopen uren heb ik nog meer geleerd: dat de mensen niets meer vrezen dan dit inzicht vanaf het moment dat het leven zijn maskers afwerpt en zij moeten ervaren dat datgene wat ze zo krampachtig en angstvallig onder hun masker bewaarden, het "ik," niet dat onvoorwaardelijke persoonlijke is dat ze zich in hun hoogmoed en eerzucht hadden voorgesteld.
ZIJ: Het verwart me. Ik ben ik en ik weet heel goed waar ik begin en waar ik eindig. We leven niet meer in sprookjes. We leven hier op aarde en hebben ons eigen lot.
HIJ: Dat is het, waaraan ik sinds kort twijfel. [...] Wat ik geloofd heb, is dat ik de werkelijkheid onbevooroordeeld en scherp kon waarnemen en dat ik aan de hand van mijn waarnemingen kon afleiden door welk plan de verschijnselen werden opgeroepen. [...] Maar nu geloof ik ook dat niet meer onvoorwaardelijk. Ik geef toe, liefste, dat de wereld voor mijn ogen door elkaar is gaan lopen, nog maar net, sinds een paar uur. Sinds het moment dat jij vanmiddag mijn kamer binnenkwam.
ZIJ gelooft dat zij toevallig bij hem is gekomen, want zij weet nog niet van de gelijkenis tussen haar en de dode vrouw van de ambtenaar.
HIJ: Weet je niet dat het woord en het concept ooit hetzelfde betekenden als handeling en werkelijkheid? De mens heeft de verschijnselen van de wereld aangesproken, met woorden en concepten, en de wereld is in handeling en in werkelijkheid veranderd. Het woord heeft een verschrikkelijke macht gehad, aan het begin der tijden, toen het vorm gaf aan de wereld. En die macht heeft het, verwrongen, maar met een meedogenloze kracht, tot in onze tijd bewaard. Er klinken een paar woorden en de wereld verandert. Deze kamer is bijvoorbeeld niet meer veilig. Dat kan sneller gaan dan je denkt. [...] [Ik heb het] over woorden en begrippen natuurlijk, en over wat er gebeurt als we die woorden op een bepaalde wijze ordenen en als we de begrippen met alle gevolgen van dien in woorden gieten en uitspreken.
---
Overige passages
In de bladzijden voor het hier volgende fragment is een passage over de het gedrag en de meningen van 'de massa.'
Wind je niet op, de mensen zijn nooit anders geweest. Hij blaast de rook uit en ziet over de hoofden van de mannen en vrouwen heen de gestalten langs de winterse, grootstedelijke straat voorbijglijden. Zijn ze werkelijk allemaal zo en waren ze altijd al zo? (p. 42)
---
'Wat ik verder nog weet?' vroeg hij rustig. 'Hoe geraffineerd je kunt doden. Men kan een mens doden zonder vergif en zonder steekwapen, zonder woorden zelfs, maar eenvoudig door zijn houding.' (p. 56)
---
'Weet je, als je geen thuis meer hebt, wordt de wereld ineens zo klein. Je kunt zo wegvliegen, als een vogel, als een... ja, zoals de meeuwen van vanmiddag. Alleen kunnen wij mensen niet met zo weinig bagage toe,' zegt ze nu ernstig. 'We hebben een tandenborstel nodig en avondkleding en we nemen ook onze herinneringen mee. Daarom kunnen we niet zomaar opstijgen. Onze herinneringen houden ons soms aan de grond. Jammer' (p. 118)
---
ZIJ: Je moet weten dat die laatste avond in Parijs wonderbaarlijk veel op deze avond leek. Ja, de dingen zijn blijkbaar niet zo eenmalig als we denken.
HIJ: Vertel, je zult er wel zeker een reden voor hebben.
ZIJ: Een reden? Een reden, zeg je. Dat is zo'n mannenwoord. Soms zegt of doet een mens iets zonder reden, gewoon omdat het kan, omdat de gelegenheid zich voordoet om iets te zeggen of te doen. (pp. 119-120)
---
De ambtenaar heeft al tijden niet meer lief gehad. Nu treedt dit gevoel weer in zijn leven.
Liefde... weet je het niet meer? In je en om je heen was de rust al neergedaald. Je was al verleerd om van tijd tot tijd onwillekeurig op je horloge te kijken, alert te zijn als de telefoon gaat, gespannen je hoofd te draaien als de deurklink omlaag gaat, met één hand de ochtendpost door te spitten, brandend van nieuwsgierigheid of het vertrouwde handschrift op een van de enveloppen zou staan. Dat was allemaal verleden tijd. En nu? Ben je niet bang, schaam je je niet om die verwarrende en vernederende onrust weer in je leven toe te laten? (p. 165)
---
Het is toch wonderbaarlijk hoe anti-literair en onregelmatig het leven is! Of zou juist de literatuur meestal wereldvreemd zijn? Zou de literatuur, dat wil zeggen het verstandelijke formuleren, terugschikken voor de mogelijkheden van het leven, die wanstaltig en onregelmatig zijn en zich buiten de wil en het voorstellingsvermogen van een mens om in een innerlijke houding en orde plooien. [...] Dat gevoel heb ik. En ik zou kunnen vragen of je je niet ontroerd of klein voelt, omdat situaties en ontmoetingen zich gewoonweg voordoen, wat de mensen ook voor plannen, spitsvondigheden en voornemens kunnen bedenken. (p. 181)