Met zijn debuutroman De draaideur, in 1979 gepubliceerd onder het pseudoniem Patrizio Canaponi, bewees A.F.Th. van der Heijden niet alleen zijn literaire meesterschap, in een gedroomde vorm weefde hij al de motieven samen die in zijn latere werk tot een symfonisch geheel zouden worden georkestreerd. Hier vinden we al de eerste sporen van 'het leven in de breedte', van de roes, die lokt en afschuw wekt. Wanneer Francis, de hoofdpersoon, in de beroemde draaideur van het Amsterdamse Américain zijn spiegelbeeld Sponge ziet, vormt die ontmoeting de opmaat voor een koortsachtig verhaal, waarin de held op een onbewaakt moment door de bodem van de tijd tuimelt. Deze onzekerheid over zijn afkomst stuwt hem terug naar het verleden, naar een geboortekliniek in Rome. Zijn roekeloze vriendschappen en de obscene herinneringen aan zijn verblijf in Rome en Avignon komen naar boven in dit tussenuur, dat de overgang naar de wereld van de volwassenen markeert. Sponge, de man die de hele literatuur als een spons in zich opgezogen lijkt te hebben, begeleidt hem als mentor op zijn moeilijke weg door een wereld waarin alles op zijn kop staat. Van deze mentale reis wordt verslag gedaan in een listig verteld verhaal, waarin lichamelijk verval, nietsontziende erotiek en het gevecht met de tijd de lezer in de ban houden.
De draaideur – Patrizio Canaponi (A.F.Th. van der Heijden) Een roman als een spiegelpaleis van identiteit en herinnering. In de draaideur toont A.F.Th. van der Heijden zich al vroeg als een literair stilist met een scherp psychologisch inzicht. Deze roman uit 1979 is geen eenvoudige leeservaring, maar een hypnotiserende afdaling in het spiegelpaleis van de menselijke psyche, waar herinneringen, verlangens en identiteit met elkaar verknoopt raken in een dromerig en soms verwarrend labyrint. De roman volgt Francis, een jonge man die worstelt met zijn verleden, zijn seksualiteit en zijn plaats in de wereld. De structuur – opgedeeld in de delen Amsterdam en Rome – weerspiegelt zijn innerlijke transformatie. Amsterdam staat voor het duistere begin: vol verwarring, onthechting en seksuele ambivalentie. Rome fungeert als tegenbeeld, een plaats van metamorfose, maar ook van vervreemding. Het is een boek over het smelten van het zelf in spiegels, en het hervinden van een kern via verbeelding en droom.
Waar buitenwereld en wereld binnen zich in wentelende spiegels onophoudelijk binnenste buiten keren, bewogen wij ons, eensgezind tegen de wijzers van de klok in, in tegengestelde richtingen.”
In het verhaal volgen we Francis’ vlucht uit Amsterdam, zijn omzwervingen via Parijs en Avignon, en uiteindelijk zijn verblijf in Rome, waar hij zichzelf letterlijk en figuurlijk ontdoet van zijn mannelijkheid. Hij transformeert tot gigolo voor oudere Romeinse vrouwen, een uiterste poging om zijn moederhaat en verwarring over zijn afkomst te verwerken.
De spiegel als motief loopt door het hele werk. Alle personages lijken afsplitsingen of reflecties van Francis zelf. Sponge fungeert als zijn evenbeeld, terwijl het vaderschap – dat pas aan het eind van de roman wordt onthuld – het proces van persoonlijke heling afsluit.
“Langzaam zweef ik op de spiegels af / waarin ik ga smelten,” citeren we uit het motto van Cees Nooteboom dat de roman voorafgaat. Deze regel kondigt het centrale thema aan: het opgaan in het eigen spiegelbeeld, om uiteindelijk tot een kern van identiteit te komen.
De draaideur in café Américain, waar Francis de enigmatische Sponge ontmoet, is het centrale symbool van de roman. Het is een plek waar binnen en buiten, zelf en spiegelbeeld, tijd en ruimte elkaar voortdurend doorkruisen. De schrijver speelt een geraffineerd spel met perspectieven en dubbelgangers. Sponge lijkt zowel vriend als schaduw, een alter ego waarin Francis zijn eigen angsten en verlangens weerspiegeld ziet.
Wat de draaideur zo indrukwekkend maakt, is hoe Van der Heijden het motief van de spiegel consequent door het hele verhaal weeft. Niet alleen letterlijk, in scènes waarin Francis zichzelf waarneemt of vervormd terugziet, maar ook thematisch, in zijn relaties tot anderen, waarin elke ontmoeting een confrontatie wordt met een deel van zijn eigen identiteit.
De stijl is ingetogen maar trefzeker. In tegenstelling tot het latere werken, kiest de schrijver hier voor een precieze, vaak poëtische toon. De erotische scènes, die doordrenkt zijn van pijn en zelfverlies, herinneren aan Gerard Reve, maar missen diens ironie. Van der Heijden is ernstiger, directer, soms beklemmend.
Het moment waarop Francis zijn mannelijkheid achter zich laat en zichzelf transformeert tot gigolo voor oudere vrouwen, is zowel tragisch als symbolisch. Het is een poging om afstand te nemen van zijn verleden, om zijn identiteit los te weken van traditionele structuren. Pas in de laatste hoofdstukken, als Francis opduikt als docent en vader, lijkt hij grip te krijgen op zichzelf. Dit slot, dat in eerste instantie geforceerd aandoet, biedt toch een vorm van catharsis. Het vaderschap fungeert als symbool voor herstel, voor de mogelijkheid van een nieuw begin.
De draaideur is een roman die vraagt om overgave. Het is geen verhalend rechtlijnige roman, maar een psychologisch en symbolisch geladen tekst die in lagen gelezen wil worden. Van der Heijden toont zich hier al als een meester in het blootleggen van de menselijke binnenwereld. Voor een lezer die niet bang is voor complexiteit en introspectie, is de draaideur een leuke leeservaring – een roman die, net als een spiegel, blijft terugkijken.
Hoe zou ik in mijn broek schijten voor een dood die ik nooit zal kennen? Het is geen dood, het is een schijndood. En dan te bedenken dat er nog mensen zijn bij wie de angst voor deze dood zo ondraaglijk is, dat ze er na verloop van tijd de tegenovergestelde angst voor in de plaats krijgen: de angst om niet te kunnen sterven. De dood die ik op het oog heb. De enige, de echte. Daar knijp ik 'm wel voor. Die dood komt niet. Die is er. Altiid al. Het is geen springer. Geen wurger. Geen dood van de daad. Het is een luie dood. Een lui varken is het. Een parasiet. Hij is er van meet af aan al. Die grote, stomme zaadkop dat microscopische waterhoofd heeft zich nog niet in zijn doel geboord, of daar komt hij al aankakken, onze dood, Hij is er bijtijds bij, Hij laat er geen gras over groeien. Maar heeft hij zich eenmaal met het jonge leven verenigd, deze trouwe bruidegom, dan neemt hij er zijn gemak van, Hij heeft de tijd. Hij blijft op zijn post. Ook als je eenmaal bent uitgepoept, houdt hij zich nog lange tijd koest. Voorlopig blijft hij bezonken op de bodem van je ziel hangen. De droesem van gezonde, jonge wiin. Hij wacht af. Hii loert. Hij laat je rijpen. Je hebt nauwelijks weet van zijn aanwezigheid. Je hebt geen kind aan hem, Je voelt je goed. Maar kantel je een keer, dan wolkt hij omhoog. Heel even maar. Heel even verduistert hij je heldere blik. Dan zakt hij weer, Het heeft je een moment weemoedig gestemd. Een weemoedigheid tot meerdere glorie van je jeugd. Je herstelt je. Je komt er weer bovenop. De dood, ach, zover weg nog. En je voelt je weer even onsterfelijk als voorheen. Onsterfelijker nog! Want je hebt toegang gehad tot de geheimen des levens. Je schrijft gedichten. Kijk, dat is de strategie van de dood. Die an- geheimen des levens. Je schrijft gedichten. Jonge dwaas! Kijk, dat is de strategie van de dood. Die andere dood. De langzame dood. De sluipdood. Want sluipen kan hij. Hij is overal tegelijk. Hij begint met een veeg zwart onder je ogen en... en het eindigt met een rouwband. Maar dat is al te veel die éne dood, waarmee je niets te maken hebt.
Ik kon me niet voorstellen dat er door gekeken werd. Ze moesten gemaakt zijn om in te kijken.
"Ik versta u niet." probeerde ik te zeggen. "Er is iets met mijn oren niet in orde." Ik zag hem, maar hoorde hem niet. Hij hoorde mij, maar zag me niet. Zo hielp een dove een blinde. Ik zag mezelf, met vlam, dubbel weerspiegeld in zijn brillenglazen: zwarte spiegels. de bedoeling was om mijn ziende ogen het zicht op zijn blinde ogen te ontnemen, zodat ik ziende blind was voor zijn blindheid.
Ongelooflijk debuut van een taalkunstenaar. Wát een verbeelding! Ten opzichte van later werk, vooral de cyclus ‘De tandeloze tijd’, vond ik dit werk te gecomponeerd en complex. Te veel van ‘Kijk mij nou!’. Vandaar drie sterren. Maar geen wonder dat AFTh na dit debuut al werd gezien als de grootheid die hij is.
Het verhaal begon goed en spannend. Na een poosje kon ik het echter niet meer zo goed volgen, het leek een beetje van de hak op de tak te gaan. Ook de seksuele scènes vond ik wat expliciet beschreven, en ik had moeite met de passage over Ivo en de hoofdpersoon. Het las wel vlot weg.