Cornelie ontwikkelt zich na haar scheiding tot een zelfstandige, ´vrije´ vrouw en leeft
harmonieus gelukkig met Duco. Couperus zou Couperus niet zijn als hij dit kleine geluk lang voort liet duren. Cornelies noodlot slaat toe als zij haar ex-man ontmoet. In een keer stort het met liefde opgebouwde leven in Rome als een kaartenhuis in en wordt ze ''gedwongen'' in de rol van onderdanige en gehoorzame vrouw. Couperus beschrijft enorm knap en invoelend hoe deze vrouw haar strijd opgeeft en zich voegt naar de wensen van haar man, de maatschappij.
Wat een geniaal boek, wat een tragisch einde.
‘Die eerste indruk was haar een groote teleurstelling geweest. Hare frissche verbeelding, hare lectuur, zelfs hare fotografieën, in Florence gekocht en met de liefde van een pas beginnend toerist bestudeerd, hadden haar al een illuzie gegeven van een stad uit een ideale oudheid, een ideale Renaissance, en zij had vergeten dat, vooral in Rome, het leven meêdoogenloos is voortgegaan, en de tijden er niet in gebouwen en ruïnes opstaan als afzonderlijke perioden, maar iedere periode door dagen en jaren verbonden is aan de volgende, nauw aaneengeschakeld.’ (13-14)
´Dat alles ging als wolkjes vaag door haar heen, niet met het concieze van woorden, maar met de nevels van moê gedroom.’ (15)
‘De donkere straat scheen tot vertrouwen uit te lokken, en Cornélie begreep iets van die cynische onverschilligheid, bizonder in eene vrouw, opgevoed in enge begrippen van plichtmatigheid en moraal.’ (21)
Duco:
‘Er is nog veel meer geschreven, dan geschilderd. Misschien is nog niet alles geschilderd, maar geschreven alles. Ieder nieuw boek van niet bepaald wetenschappelijk belang is overbodig. Alle poëzie is gezegd, en iedere roman is geschreven.’ (30)
‘Maar wat kan het me schelen. Ons heele leven is verbeelding, en verbeelding is mooi. Het mooie van onze verbeelding is voor ons, die geen menschen van doen zijn, de troost van ons leven. Hoe heerlijk ene heel leven lang te droomen, te droomen over wat gebeurd is. Het verleden is de mooiheid. Het heden is niet, bestaat niet. En de toekomst interesseert mij niet.’ (33)
‘Aan zijn leven richting geven, dát is het moeilijke. Ieder leven heeft een lijn, een richting, een weg, een pad: langs die lijn moet het leven vervloeien in den dood, en wat is na den dood; en die lijn is moeilijk te vinden. Ik zal mijn lijn niet vinden.’ (52-53)
‘Vreemde menschen! dacht Duco glimlachend; schimmen van menschen… Hun lijnen dwarrelen als arabesken door onze lijnen. Waarom kruisen zij onze lijnen met hun kleine beweging, en waarom kruisen ons nooit misschien die ons het liefst zouden zijn aan onze ziel…?’ (65)
Het aquarel ‘De banieren’:
‘En in die groepering was de teekening van zoo ijle dunheid en soberheid, was de overgang van plooienval tot praktisch-strak zoo voorzichtig en zoo geleidelijk, dat Cornélie overgang nauwlijks bespeurde, dat zij éen stijl meende te zien, éene mode van dracht, terwijl iedere silhouet toch zich kleedde met andere snit in andere stof, vallende met andere lijnen…’ (117)
(is dit waarom Cornélies zelfstandige leven in elkaar stort. De overgang is te drastisch geweest?)
‘De dag vooral, de hoog daar dagende dag, was van een witte, zelfbewuste zon: een blanke zekerheid, waarin de toekomst duidelijk werd.’ (134)
‘En het ontzag, dat Cornélie vervuld had in den hof, tusschen de arcades, beelden en fonteinen, vervulde haar opnieuw, omdat ene roem en grootheid, stervende, maar niet gestorven, vermolmd, maar niet verteerd, scheen op te schemeren en schaduwen uit het mystieke blauw van het meer, uit den eeuwenbouw der kathedraal, langs de oranjeheuvels tot in het slot, waar aan een open raam een vreemde jonge vrouw stond, ontmoedig, maar wier millioenen die schim van roem en grootheid eischte, om voort te duren, nog enkele geslachten na…’ (148)
De leugen:
‘Zij verlangde naar Rome, naar het atelier, naar Duco, naar onafhankelijkheid, liefde, geluk. Zij had het alles gehad, maar het had niet mogen blijven. Zij was terug gedwongen in dien schijn, de conventie, de walgelijke comedie van het leven. Het was om haar heen als één leugen, schitterender dan in Den Haag, maar nog valscher, brutaler, perverser. Men gaf zelfs niet meer voor, dat men aan de leugen geloofde: hierin was een brutale oprechtheid.’ (212)
Over de opvoeding van meisjes:
‘Het zijn onze ouders, die zijn te beklagen. Zij kunnen niets meer herstellen. Zij zien ons, meisjes, jonge vrouwen, van twintig tot dertig, overstelpt worden door het leven, en zij hebben er ons niet sterk voor gemaakt. Zij hebben ons zoo lang mogelijk veilig gelaten in het ouderlijk hoekje, en toen hebben zij gedacht aan ons huwelijk. Volstrekt niet om ons kwijt te zijn, maar voor ons geluk, voor onze veiligheid en onze toekomst.’ (215)
Als ze Rudolf weer ontmoet:
‘Het was zijn stem van overreding, van overredende verleiding , de stem, die zij kende van vroeger, de stem, die haar tot alles dwong, wat hij wilde. Onder die stem was ze als een voorwerp, een ding, dat hem toebehoorde, nadat hij haar eerst voor altijd gestempeld had tot zijn vrouw. Zij was onmachtig hem uit zich te werpen, hem van zich af te schudden, het stempel van zijn bezit, het brandmerk van zijn eigendom zich af- en uit te wisschen. Zij was van hem, en alles wat anders haarzelve was, had haar verlaten. Er was in haar hersens geen herinnering meer en gedachte…’ (238)