Si on les connaît également sous le titre de Préface à un livre futur, on chercherait en vain dans ces Poésies quelque vers que ce soit. Ecrites quelques mois avant la mort de leur auteur, elles commettent un renversement total de l'esprit de révolte qui animait Les Chants de Maldoror. Du reste, Isidore Ducasse décide pour leur publication de jeter le masque de Lautréamont et d'y apparaitre sous son nom véritable. Ses Poésies font du conformisme une voie véritablement nihiliste. L'ironie outrageante à l'endroit des romantiques et de leur emphase, le parti pris radical, tel que revendiquer la nécessité du plagiat, hissent ces considérations d'ordre poétique au rang de pamphlet férocement subversif. Sans équivoque mnalgré l'ironie qui guide chacune de ces considérations d'ordre poétique, sans morale malgré la sentence définitive, sans mystification malgré l'apparence de la gageure. Ducasse recopie La Bruyère ou bien des Pensées de Pascal, les retourne comme un gant, en modifie le sens. Ces Poésies entendent réagir aux "têtes crétinisantes", parmi lesquelles il s'inclut. Elles sont plurielles, car elles doivent être faites de tous et par tous.
Comte de Lautréamont (French pronunciation: [lotʁeaˈmɔ̃]) was the pseudonym of Isidore Lucien Ducasse, a Uruguayan-born French poet. Little is known about his life and he wished to leave no memoirs. He died at the age of 24 in Paris.
His only works, Les Chants de Maldoror and Poésies, had a major influence on modern literature, particularly on the Surrealists (similarly to Baudelaire and Rimbaud) and the Situationists. Comte de Lautréamont is one of the poètes maudits and a precursor to Surrealism.
"Ik vervang de zwaarmoedigheid door de moed, de twijfel door de zekerheid, de wanhoop door de hoop, het kwaadaardige door het goede, het geweeklaag door de plicht, het scepticisme door het geloof, de sofismen door de kilte van de gemoedsrust en de hoogmoed door de bescheidenheid". Bescheidenheid, haha. Isidore Ducasse, alias Comte de Lautréamont, is een van de raadselachtige genieën van de 19e eeuw. Hij overleed toen hij 24 was, maar had toen al twee werken geschreven die tot diep in de 20e (en wie weet de 21e) eeuw avantgardistische en revolutionair georiënteerde kunststromingen zouden inspireren. Ducasse zelf had ook contacten met anarchisten. Zijn Zangen van Maldoror uit 1869, gedichten in proza over het kwaad, zijn een krankzinnig hoogtepunt van de Decadentie, twintig jaar voor de Decadentie tot haar grootste bloei kwam, en worden gezien als een tijdloos meesterwerk. Lang hebben psychiaters verkondigd dat de schrijver een waanzinnige moest zijn. Maar eigenlijk nog veel vreemder zijn zijn "Poésies I en II", waarin Ducasse nauwelijks een jaar later definitief afrekent met de romantiek en de lyriek, waarin hij de Zangen van Maldoror teniet wil doen door het nastreven van het tegenovergestelde. Poésies I is een manifest waarin Ducasse, die nu zijn eigen naam gebruikt om duidelijk te maken dat hij gebroken heeft met Comte de Lautréamont, zegt wat hij gaat doen. "Ik wil op een gouden lier het schone verkondigen", zegt hij. In de eerste plaats wil hij de literatuur van zijn tijd vernietigen. In een brief aan een uitgever schrijft hij: "Ik bezing alleen nog maar de hoop; maar om dat te doen moet je allereerst de twijfel van deze eeuw aanpakken". Met dit woord "twijfel" vat Ducasse de fascinatie van de romantische literatuur voor het lijden en het kwaad samen, die samen gaat met de twijfel aan het bestaan van het Goede en het Ware. Zijn plan van aanpak is om de geschriften van de groten der literatuur te "verbeteren". Hij kondigt aan: "(...) Ik neem de mooiste poëzie van Lamartine, Victor Hugo, Alfred de Musset Byron en Baudelaire onderhanden en verbeter deze in de richting van de hoop; ik geef aan hoe men het had moeten doen." In Poésies I geeft Ducasse al wat voorbeelden en concludeert aan het eind: "Al het water van de zee zou niet toereikend zijn om een intellectuele bloedvlek uit te wissen." In Poésies II gaat hij echt aan de slag. Het levert een bizarre verzameling aforismen op als: "Het plagiaat is noodzakelijk. Het behoort tot de vooruitgang. Het zit het woord van de schrijver op de hielen, bedient zich van zijn uitdrukkingen, elimineert een verkeerd idee en vervangt dat door het juiste." Ducasse bedoelt met plagiaat niet letterlijk overnemen, maar vooral het overnemen in een andere context, of met verandering van klein detail waardoor de betekenis omdraait of verwrongen wordt. Het zinnetje beschrijft wat Ducasse zelf aan het doen is in deze gedichten en kan als programmatisch beschouwd worden voor veel kunst die 50 tot 100 jaar later geboren werd: avantgardistische kunststromen als het dadaïsme, het surrealisme, het lett(e)risme en situationisme, de ready-mades van Barbarber, de pop-art, het postmodernisme. Niet alleen dankzij de Zangen, maar ook dankzij dit bundeltje prozagedichten werd Ducasse expliciet vereerd door de surrealisten en genoemde situationisten. Zijn pleidooi voor het goede is vervreemdend, omdat ze is gebaseerd op verdraaiing van bestaande teksten."Ik accepteer het kwaad niet. De mens is volmaakt. De ziel valt niet. De vooruitgang bestaat. Het goede is herleidbaar. De antichristen, de aanklagende engelen, het eeuwige leed, de godsdiensten zijn producten van de twijfel." In veel teksten verdraait hij quotes van Pascal en Vauvenargues. Soms verdraait hij eerdere teksten van zichzelf. Is hij cynisch of meent hij zijn pleidooi? Het procédé van de verdraaiing lijkt soms belangrijker te zijn dan de boodschap. Als je de opsomming van stellingen leest, is hij soms nauwelijks te volgen. Probleem voor de lezer is dat hij vaak de teksten niet kent waar Ducasse naar verwijst, dus het is fijn dat achter in de vertaling van René Sanders een aantal van de "originelen" wordt vermeld; eigenlijk zou je een compleet geannoteerde versie moeten hebben. Isidore Ducasse verheft de moralisten boven de dichters, maar heeft het eigenlijk toch vooral over literatuur. In de nieuwe tijd is de poëzie zelf niet meer van belang, zegt Ducasse, alleen nog de kritiek van de poëzie, die is eeuwig en tijdloos. "De oordelen over poëzie zijn meer waard dan de poëzie." En: "De poëzie moet door allen worden gemaakt. Niet door één." (Waarmee Ducasse vooruitloopt op het 'cadavre exquis'). Eigenlijk betreedt Ducasse hier een literair terrein waarin authenticiteit of "iets menen" een onbruikbaar begrip wordt. De extravagante gedachtensprongen en beelden van de Zangen zijn er in de Poésies soms nog: "Telkens als ik Shakespeare las, leek het net of ik de hersenen van een jaguar aan het verscheuren was". Of: "Weest op jullie hoede voor het hellend vlak. Roeit het kwaad bij de wortel uit. Geeft jullie niet over aan de verleidelijke cultus van de bijvoeglijke naamwoorden, zoals onbeschrijflijk, ongelooflijk, schitterend, onvergelijkbaar, kolossaal, die schaamteloos de zelfstandige naamwoorden, die ze verminken, voorliegen: de wellust zit hen op de hielen." Het was André Breton die in 1919 de twee boekjes "Poésies" herontdekte in de Franse Nationale Bibliotheek. Een paar jaar later schreef hij het manifest van het surrealisme. Decennia lang waren het de enige twee bekende exemplaren ter wereld. Overigens hebben de situationisten in de jaren '50 laten zien dat Ducasse als de Comte de Lautréamont al in de Zangen van Maldoror de verdraaiing veelvuldig toepaste, en wel op de natuurlijke historie van De Buffon, om extravagante metaforen te scheppen. Ik vind het spel van Isidore Ducasse met de moraal en de poëzie fascinerend en heb het gevoel dat wat Ducasse in de poëzie in gang heeft gezet, nog lang niet is uitgewerkt. In het bijzonder zie ik in Maarten van der Graaffs laatste bundel "Nederland in stukken" nog een duidelijke 21e-eeuwse echo van wat Ducasse doet in Poésies. Het boekje is fraai vertaald en uitgegeven door KelderUitgeverij in Utrecht, maar ik hoop nog eens een geannoteerde versie lezen waarin de herkomst van alle verdraaiingen is achterhaald.
One of the most cynical books I have ever read. The French have a knack for this. The Oxford English dictionary definition of "cynicism" is too poor (Wikipedia doesn't help either). The DRAE (Royal Spanish Academy Dictionary) grasps the concept far better: Shamelessness in lying or in the defense and practice of vituperable actions or doctrines.
What's a brotha to do after writing a poetical masterpiece? Live like a suicidal neurotic (Baudelaire), quit literature and work like a dog (Rimbaud) or write a sensible/utilitarian/pragmatical/bourgeois book of aphorisms, "chants of the good", finally called "Poems" (LOL). One way or another, those aforementioned died after their greatest creations (in the case of Lautréamont, sadly, literally speaking [good to remember that Baudelaire tried to kill himself at 24]): https://www.youtube.com/watch?v=6oPT0...
Poetry must be made by all and not by one. Alt. Lit./Twitter poets take that literally... oblivious that it comes from a unique poet himself, and from a book in which this hombre/monsieur, whose one and only book was a very dark one, states other "truths" such as...: I want my poetry to be read by school girls. (LOL) A poet must be the most useful person of his tribe (What else?) A good appreciation of Voltaire's works is preferible to his very own works, naturally! (OFC) French masterpieces are prize-giving speeches for schools and academic ones. (OMG) I don't accept evil. Humankind is perfect. (Tell me more...) I replace melancholy by courage, doubt by certainty, despair by hope, malice by good, complaints by duty, scepticism by faith, sophisms by cool equanimity and pride by modesty. If learning how to be a poet is unlearning how to live (Houellebecq), that brief and borderline self-help preface to a book called "Poems" speaks volumes about the joke you are getting into.
P.S. All in all, it is never that simple with cynicism, a far more intellectual and delicate endeavour than irony, and I've noticed this in other French essays: at times (let's say around 10%) the author is being real (Plagiarism is necessary. It is implied in the idea of progress. It clasps the author's sentence tight, uses his expressions, eliminates a false idea, replaces it with the right idea. [he was a century ahead of Barthes, and this aphorism is in tune with Les chants de Maldoror and, of course, even if humouristically, with this very book of plagiarized quotes by Pascal, François de La Rochefoucauld, etc.]), in order to not be so easy to spot, but, yeah, bros & peaches, he was playing the average potential reader of the book, sorry (I imagine the average British or Amerikan falling for it, but not many Southern Europeans).
Here's this sly little thing more french practice for me and surprisingly close to the old cynicism & misogyny formula found in Baudelaire's Journaux. Not so much humanist or atheist as 'anti-deist' which is perhaps me unravelling needless threads. Lautréamont is a v interesting study of a person though if there's anything to say of him what's up with all these poets who go die at 24?
Très surprise, après m'être passionnément éprise des Chants de Maldoror, de constater le changement radical de l'auteur dans ces Poésies ("espérance, calme et BONHEUR humain") en contradiction totale avec le contenu sombre, obscène et misanthrope du "sacré bouquin" (comme le surnomme Ducasse) Malgré l'apparence des Poésies on y devine quand-même des restes de l'ironie et de l'insolence lautréamontienne notamment en constatant les contradictions flagrantes qui apparaissent au sein même de l'oeuvre (sans compter le fait que le mec s'autocritique de long en large pour avoir écrit les Chants). La première Poésie était assez intéressante, exploitable au niveau critique de la littérature de l'époque, et très drôle selon moi (interminables énumérations grotesques et sobriquets ridicules : mention spéciale à EA Poe alias "le Mameluck des rêves d'alcool"). En revanche la Poésie 2 était bien moins amusante, regorgeant de maximes à foison cela dit. J'ai trouvé un peu pénible cet esprit de contradiction systématique de penseurs qui étaient ses grandes inspirations dans les Chants. Surtout qu'il se recontredisait 2 lignes plus tard. (ça faisait un peu performative male pour le coup mais bon on fait tous des erreurs) Bref. Il faut quand-même noter que les Chants et les Poésies sont 2 oeuvres bien distinctes, comme l'indique le changement entre les deux du nom de plume de Lautréamont pour son patronyme véritable. Mais bon, je trouve ça assez spécial de changer radicalement de pdv en moins d'1 an, surtout en écrivant à Poulet-Malassis "j'ai renié mon passé" (the literal Chants de Maldoror mec, tu peux pas renier un trésor comme celui-là). A moins que ce soit juste une stratégie marketing obscure. Ceci dit je préfère largement sa posture dans les Chants même si elle était peut-être, selon papa Ducasse, une giga erreur de jeunesse.
(ps. : C'est quand-même un truc de dingo de se créer autant de beef en 60 pages avec des auteurs que tu glorifiais 1 an plus tôt. Pas très malin mais hilarant)
not really poems, more like a book of (inverted?) maxims, primarily from Pascal and Vauvenargues. I question inverted because in the notes to the Lykiard version, the footnotes are all in French so I am unsure if Lautreamont is plagiarizing them or putting a twist on them (I suspect he does both at different times due to one of his maxims being about plagiarisms). The content of the book ranges from pithy truisms to ramblings that gratuitously name-drop authors, poems, philosophers, and literary and philosophical references left and right redolent of a literary genius that probably had prodromal schizophrenia who wrote Maldoror. This is probably only worth reading if you really liked Maldoror.
A magnificent compilation of Ducasse's work besides Maldoror, and well annotated. Now I must get Lykiard's translation of Maldoror, having only read Knight's translation.
Poésie I : rejet virulent du romantisme, désir de d’en finir avec les « pleurnichards » et le malheur. Vision alors réductrice du romantisme, de la puissance allemande. En avouant la lâcheté des romantiques français (une très bonne part), mais sans lâcher la puissance du romantisme allemand qui n’est pas pleurnichard mais purement passionnel et rempli de volonté, j’aurais pu y voir tout de même une pensée qui tente de dépasser le romantisme qui devenait vieux et croulant en 70. D’ailleurs, les derniers représentants du courant comme Huysmann ont acclamé Lautreamont et ses Chants. Mais Ducasse va proposer davantage un retour aux classiques, il va arrêter la volonté pour revenir aux principes de l’ordre, la raison, la bienséance et une morale chrétienne acerbe.
Poésie II : même chose au début, mais un aspect très moraliste pour la suite. Mais est-ce que le plagiat de Pascal et d’autres philosophes/moralistes décèle une ironie invisible? Je changerai mon commentaire après avoir lu des ouvrages d’analyse.