Eeuwenlang stonden Hollanders bekend om hun ongepolijste gedrag. Dat veranderde omstreeks 1500 onder aanvoering van Erasmus, die niet alleen geleerd en scherpzinnig was, maar ook tot navolging inspireerde. Hollanders begonnen hun culturele inhaalrace, die uiteindelijk uitmondde in de Gouden Eeuw, waarin de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zich voor heel even het middelpunt van de wereld mocht wanen.
Lof der botheid biedt een aantal intrigerende snapshots uit de culturele emancipatie van de Hollanders. Hoe de hertog van Alva Willem van Oranje en zijn rebellenleger een paar nuttige militaire en politieke lessen leert, hoe het zelfbewustzijn van de rebellen snel toeneemt, en hoe Holland tot grote bloei komt: de essays in Lof der botheid geven tezamen een verrassend beeld van een trotse en speelse cultuur, die haar rauwe en botte kantjes overigens nooit helemáál zou verliezen.
1585 blijft een mythische datum in het hoofd van de Belg/Nederlander. We kennen de schilderijen van Jan Steen, Rembrandt of Vermeer - maar welke dynamiek ging daarachter schuil? Hoe verhield PC Hooft zich tot Tacitus? En hoe kon het dat Amsterdam in 35 jaar transformeerde van een gemiddelde stad tot wereldspeler?
Het is moeilijk om de erfenis van Erasmus (die neerkeek op de ongecultiveerde "eenvoud" van zijn landgenoten) te onderschatten in dit alles. Van Stipriaan geeft hem dan ook een prominente plaats in dit compacte werk, zonder hem uit te roepen tot de centrale spil. Constantijn Huygens krijgt bijvoorbeeld - in verhouding - een groter aantal bladzijden toebedeeld. Hij durft het ook aan weg te zeilen van de grote verhalen, zoals in het essay 'flirten zonder begeerte' - waarin een drinkbeker dienst doet als vervoermiddel voor romantische verzen.
"Doe maar normaal, dan doe je gek genoeg", het lijkt een ode aan de gewoonheid. Maar wat gebeurt er wanneer die gewoonheid in scène wordt gezet? Die vraag wordt omstandig behandeld in (wat naar mijn gevoel) het belangrijkste essay van de bundel: 'Het ludieke labyrint'. Kellendonks uitspraak over 'oprecht veinzen' lijkt een rechtstreekse erfgenaam van de traditie die in de zestiende eeuw werd neergezet. Schilderijen als van de eerder vernoemde Jan Steen of Rembrandt kun je plaatsen binnen dat bedrieglijk theater: ze spelen 'zichzelf' op hun schilderijen in ofwel de hoedanigheid van apostel Paulus of als de verloren zoon. Een spel met identiteit, dat tot op de dag vandaag gespeeld wordt.
Het is een bundel waardoor je zin krijgt in verdere exploraties van het werk van dichters als van Focquenbroch of Matthijs van der Merwede. De zoektocht naar de man die de tekst van het Wilhelmus voelt daarentegen eerder aan als een vrijblijvende vingeroefening.