In het voorjaar van 2015 bezetten studenten en docenten het bestuurlijke centrum van de Universiteit van Amsterdam, het Maagdenhuis. De bezetting vond onverwachte weerklank buiten de muren van de academische wereld. Het Maagdenhuis bleek de naam van iets groters: het verzet tegen de ingrijpende gevolgen van decennialang neoliberaal beleid, het verzet tegen het 'rendementsdenken'. De universiteit kwam symbool te staan voor de ontmanteling van het publieke domein, de bestaanszekerheid en uiteindelijk de democratie. In dit essay betoogt Joost de Bloois wat besloten ligt in de naam van het Maagdenhuis, aan de hand van thema's als rendement, precariteit, cognitief kapitalisme en democratie. Dit boek laat zien dat de gebeurtenissen in het Maagdenhuis de sleutel zijn om cruciale veranderingen in samenleving, politiek, cultuur en wetenschap in de afgelopen jaren te begrijpen.
Waar is het Maagdenhuis de naam van?
Joost de Bloois is filosoof en als universitair docent verbonden aan de opleiding Literary and Cultural Analysis van de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceert over het verband tussen cultuur en politiek.
Ik heb dit boek voor m'n plezier gelezen, om even te ontsnappen aan alle shit die ik nu aan het lezen en schrijven ben, maar ik moet toegeven dat het meer afwisseling is geweest dan een verlichting van mijn leeskost. Ik vind het bijna jammer dat ik het (nog) niet de analyse heb kunnen geven die het verdient, maar ik ben lang niet de enige: ik heb nog nauwelijks mensen gehoord over dit werk, behalve Rudolf Valkhoff die het zeer summier en oninhoudelijk berispte. Ik krijg de indruk dat niemand het echt gelezen heeft, wat jammer is. In ieder geval komt hier dus een lichtelijk halfhartig commentaar.
Joost de Bloois heeft een zeer radicaal vertoog op poten gezet, wat bij vlagen flirt met klassiek marxisme, in de zin dat het een dialectiek van de geschiedenis voor ogen stelt die een antwoord moet krijgen van een universeel anti-kapitalistisch karakter. Over het algemeen echter leunt De Bloois op het werk van Foucault en diens ideeën over subjectivering, disciplinering, 'gouvernementilité' etc. Het gescrhift sluit goed aan op de ideeën van het protest en expliciteert een theoretische ondergrond ervoor, waarvan misschien niet iedere deelnemer het zo belezen had uit kunnen leggen. Dit boek bestaat namelijk uit een bloemlezing van een boel hedendaagse Kritische literatuur, waarmee het aan gewicht wint als een herkenbaar document van deze tijd. Of je de analyse overtuigend vindt of niet geeft het werk een sterk overzicht van allerlei ('linkse') zorgen over de politiek en de maatschappij, waarvan de oplossing nog lang niet in het verschiet lijkt te liggen.
De gekozen methode, de 'antropologie van de naam' van het Maagdenhuis, is wat mij betreft het zwakke punt in het betoog. Het staat buiten kijf dat de vertaling van het protest naar een concreet, politiek pertinent begrippenkader bijzonder waardevol is en in potentie educatief of zelfs inspirerend kan zijn. Desondanks lijkt De Bloois onkritisch ten opzichte van aan de ene kant de gehanteerde proteststrategieën en aan de andere kant de bestaande bestuursprocessen waarop op bepaalde wijzen geageerd werd. Deze facetten worden in het vertoog net zo goed gemobiliseerd voor een politiek project als die processen en protesten in het kapitalisme. De uitvoeringen van het protest, hoewel wellicht inderdaad prefiguratief voor een nieuw soort politiek, hadden een prominentere analyse kunnen krijgen, daar waar ze nu vooral fungeren als voorbeelden van het al gehanteerde conceptuele kader (zie bv. over bezetten en blokkeren p. 126-129, of over general assemblies p. 120-121). Zo ook het beleid aan de universiteit, wat slechts besproken wordt in zoverre het in grote lijnen meewerkt aan een universeel kapitalistisch project. Zo wordt een lokaal probleem structureel niet op haar lokale karakter beoordeeld, maar op haar conceptuele kracht. Het gevolg is dat het nooit kan uitleggen waarom het protest zo erg gestigmatiseerd is, waarom het op andere Nederlandse universiteiten geen sterke navolging heeft gehad en waarom de politieke angel er ook snel uit lijkt te zijn gehaald. Dat gevolg staat lijnrecht tegenover de potentie die het heeft. Wellicht is het een kwestie voor toekomstig schrijven over de protesten rond het Maagdenhuis, die best wat analyse verdienen - daarvan getuigt dit geschrift in ieder geval.
Boekje had eigenlijk een jaar eerder uit moeten komen, dan was het waarschijnlijk heel wat meer opgepakt en had het wat meer impact kunnen hebben. Het is zeker geen chronologie of geschiedschrijving en het is ook geen reflectie vanuit de beweging zelf. Toch denk ik dat veel van de bezetters (en ook daarbuiten hoor) zich er goed aan zouden doen om het te lezen. Het is een goede introductie naar allerlei kritische theorie die in verband met de universiteitsrevolte van 2015 op korte manier worden uitgelegd en relevant gemaakt. Het overduidelijke gemis wat onderwerpskeuze is natuurlijk dat anti-racisme dekolonialisering en diversiteit zowat niet besproken worden, terwijl dit toch wel één van de grotere onderwerpen uit het Maagdenhuis zijn geworden.