De tweede roman van Naomi Rebekka Boekwijt gaat over Gitta, ze wacht op een goed moment om haar strenge vader te ontvluchten. Wanneer ze Randi ontmoet, die in een kinderloos huwelijk vast zit, lijkt ze haar moment gevonden te hebben. Ze erkent in haar het gemis van een moederfiguur. Gitta is scherp voor haar ouders, ze spreekt ze aan met hun voornamen, laat ze niet toe maar wordt ook niet toegelaten. De roman start goed met de perfecte omschreven situering van waar de personages zich bevinden, hoe de personages eruit zien en bewegen, Naomi 'zet' hen ook goed neer. Maar gaandeweg ontdek je dat het verhaal eigenlijk niet zo veel om het lijf heeft. Daarvoor ontsporen de personages te vaak waar dat niet hoeft, waardoor de plot ook jammer genoeg gaandeweg aan kracht verliest, waar het net aan kracht zou moeten winnen.
Maar, desondanks kan Boekwijt wel schrijven. Er zitten enkele prachtige zinnen in het boek.
"Voor Randi was het huis geen bezit, niet iets dat bij haar hoorde. Het was een ruimte waarin ze leefde. Zij zocht andere dingen om in te wonen. Een lied, een boek."
"Gitta keek naar Randi in het bed. Hoe kon zij dit wezen nader komen? Zij kwam met haar hand heel dicht bij randi's schouder. De meubels hielden hun adem in, als stomme getuigen in de kamer van leed en genot. De commode had acht ogen, het glas in de deur van de kledingkast weerspiegelde vaag haar gestalte. Vaak had zij zo aan het bed van Inez gestaan, zonder haar te durven wekken, want dan moest ze toegeven dat ze bang was en de moeder nodig had. Inez was in haar slaap bijna menselijk geweest. De strenge trekken vouwden zich dan uit tot een rustig gelaat. Binnen een seconde kwamen de bekende trekken terug, moe en triest, en dreven Gitta terug naar haar eigen bed, waar de nachtmerrie nog in lag als een klamme plek onder haar rug. "