Van Marissing in het nawoord: 'Dit boek is problematies voor zover het zelf nog deel uitmaakt van dat waartegen het zich verzet. Het tracht de konsekwenties te trekken uit een teoretiese ontwikkeling (van Marcuse naar Marx: van kritiese afzijdigheid naar daadwerkelijke partijdigheid). Al schrijvend/lezend wordt deze beweging zichtbaar als de lijn van Beckett naar Brecht: van verstikkend isolement - tot de kin weggezakt zijn in nat zand - naar zicht op bevrijdende samenwerking.
"een huid van oud behang, de gaten vallen erin, er blijft niks over, een hoop schilfers, het ritselt, de vliegen achter de gesloten gordijnen, door een kier snijdt het licht een streep over de vloer en tegen de muur, vlak langs de stoel, een streep door de letters: ge/ertruida"
Als ik dat terughaal blijven er weinig betekenissen over. Al die jaren worden in mijn herinnering platgedrukt tot één werkdag. Chloorlucht en zweet, meer hield je er niet van over. Als ik aan mijn handen snuif verbeeld ik me die geur nog te ruiken. Maar je kunt je ook teveel verbeelden zeggen ze hier.