Computerpioniers In 1952 trad Nederland het computertijdperk binnen met de ARRA, de Automatische Relais Rekenmachine Amsterdam. De verandering was ingrijpend. Niet omdat die ene machine nou zoveel uitrichtte — de ARRA heeft het na die dag nooit meer gedaan —, maar omdat er iets nieuws mogelijk werd.
De Nederlandse samenleving maakte echter helemaal geen kennis met computers. Er waren een paar machines en maar heel weinig mensen hadden daar toegang toe. Voor alle anderen verliep de kennismaking via de krant. Toch hadden de ‘moderne rekenmachines’ grote culturele betekenis. Het culturele effect ging voor de machine uit. Dit boek gaat over mensen: de rekenaars, de rekenaarsters, de bouwers en de gebruikers van rekenautomaten. En het gaat over de Nederlandse samenleving, die hen tot pioniers maakte.
Computerpioniers is een heel leesbaar boek over de allereerste periode van het computergebruik in NL. Het boek eindigt in 1960 met hier en daar een kleine uitloper. Vanaf dat moment is het computergebruik en programmeren geen pionierswerk meer. Het maken en ontwerpen van software wordt een soort nieuw pioniersgebied. Er wordt aan drie punten aandacht besteed: computerbouw en (computer)programmeren, administratieve automatisering en wetenschappelijk rekenen, met name een speciaal project voor de deltawerken. De nadruk ligt op een meer sociologisch, cultuurhistorisch gezichtspunt. De vraagstukken van techniek en architectuur zijn een beetje ondergesneeuwd. Voor dit soort zaken wordt naar internet verwezen; dat is een beetje flauw. Een schets van deze zaken had zeker verhelderend gewerkt en is ook interessant voor een breder publiek. Daar gaat het boek eigenlijk over. Voor de culturele kant wordt soms met bewondering maar meestal verwondering en soms zelfs vermaak gekeken naar naar de ijverige en zelfopofferingsgezinde houding van de hoofdfiguren die we tegenkomen. Alle overleggen en studieclubs die 's avonds werden gehouden om wetenschappelijke vraagstukken te bespreken wekken vooral verwondering. Daarentegen worden de creativiteit, de drang naar experiment en het gevoel van vrijheid vergeleken met die in de kunsten. Het meest verwonderlijke aan het boek is, dat er zo weinig over WOII wordt gezegd. In de jaren die dit boek beschrijft was in veel opzichten de oorlog niet ver weg. Misschien werd er in die tijd minder over gesproken dan twintig jaar later, maar veel van de initiatieven die besproken worden en de houding van de betrokkenen kan niet makkelijk los worden gezien van WOII.
Interessant overzicht van de mensen, machines en omstandigheden die de ontwikkeling van computers (digitaal en analoog) in de jaren 50 dreven. Het is echter dermate gericht op de dwarsverbanden dat een wat diepere blik ontbreekt en er veel herhaling is. Zo had ik graag steeds over één club meer inhoudelijk gelezen in plaats van een opsomming van alle andere organen waarmee die club in verband stond. Wat blijft hangen is een sfeer van moed, inventiviteit en bluf die de weg naar nieuwe rekenmethoden en automatisering ontginde.
Met veel plezier heb ik dit boek gelezen. Over de eerste experimentele rekenapparaten, die met relais en buizen in elkaar werden gesoldeerd. Ze werden ingezet voor numerieke wiskundige problemen, zoals bijvoorbeeld het oplossen van matrices. Er was geen software, er waren patchboards. Wel waren er al de basale problemen zoals de floating point en complexe getallen en werd er al snel gewerkt met subroutines.
Een ander interessant fenomeen waren de analoge computers, waar met behulp van electronische circuits stromingsprocessen zoals warmte, luchtstromingen en waterstanden werden gesimuleerd. Het meest imposant vond ik het zaalvullende analogon van Rijkswaterstaat waarin alle rivieren van Nederland werden gesimuleerd. Dit analogon werd tot midden jaren '80 gebruikt.
Een derde tak is de mechanische administratie, waar de verwerking van de ponskaarten langzaam maar zeker flexibel werd en er de eerste talige programma's ontstonden.
Het boek eindigt zo ongeveer waar de ontwikkeling van de software begint.