Valt Vroege werken in twintig woorden samen te vatten? Natuurlijk. Het zijn essays, maar ze neigen naar waargebeurde verhalen. Soms gebeurt er van alles, op andere momenten vrij weinig.
Vroege werken: is dat niet wat... pretentieus? Ik begin graag bij het begin en laat bescheidenheid liever over aan betere mensen.
Zware kost? Ergens halverwege stuit de lezer op een citaat van Proust. Maar dat komt uit de beroemde 'questionnaire' die hij ooit invulde. Verder gaat het over dooie muizen, wat er schort aan roodharigen, mijn eerste keer, Heleen van Royen, wat het betekent om een performancekunstwerk te zijn, het plezier van alledaagse dagen, snorkelen in een massagraf, Joseph Brodsky, wel of niet samenwonen, zinloos geweld, Kim Holland in de schaduw van een kerncentrale, een geëxecuteerde naamgenoot, de kleine grote vragen en nog zo wat van die dingen. Lichtvoetig maar niet lichtzinnig.
Is het boek ook zo geforceerd 'grappig'? Nee. Dit soort nonsens houd ik niet heel lang vol. Het bovenstaande vormt in zeker zin een absolute ondergrens.
Poëzie is gelegen in de poging de kloof tussen dat wat zich laat weten en dat wat zich laat beseffen met woorden te overbruggen. Ik geloof dat in de poëzie het meest overtuigende menselijke angwoord op de natuurwetten schuilt. Waarmee niet gezegd is dat ik aan een van beide zaken veel tijd besteed.
Empathie is meer dan een ontdekking van het gedeelde, het is een overwinning op het wezenlijke verschil.
Ik weet wat van het verre verleden en wat van het heden, maar veel is het allemaal niet.
Ik herinner me snoepverpakkingen, colablikjes en de mufheid van onbestemd afval dat lijkt te weten dat het niet zal worden opgeruimd en dat genoegzaam geheel in eigen tempo vergaat.
Op de banaalste momenten, wanneer ik over straat loop of door een supermarkt dwaal, verbaas ik me erover dat ik, oog in oog met die allesoverheersende onzekerheid, vrijwel nooit ontredderd ben. Daarop volgt steevast mijn verwondering over de afwezigheid van massale paniek in het straatbeeld.
Wat rest is de menselijke conditie in een notendop: tussen het moment waarop je wordt geboren en het moment waarop je sterft gebeuren sommige dingen wel en andere dingen niet.
Onzekerheid voorstellen als een luxeprobleem, het gevolg van een overdaad in plaats van een gebrek aan opties, is het leven reduceren tot zijn meest oppervlakkige uitdrukking: lifestyle.
Elke ochtend herken ik in mijn broodrooster het symbool van de vooruitgang die enkele eeuwen kapitalisme ons hebben gebracht. De oneindige poging druppels zweet in te ruilen voor piepkleine beetjes verveling. Wie het zweet wel inlevert maar de verveling niet wil toelaten zal het met iets anders, meestal stress, moeten doen. Vooruitgang bestaat (…), maar met elke broodroosterinnovatie gaat iets verloren.
Hij riep op het vooruitgangsgeloof opnieuw uit te vinden, maar ik geloof alleen idealisten die het tegen beter weten in zijn. De vooruitgang die niet valt te weerleggen is een geloofskwestie, maar praktischer van aard.
De paradox is deze: hoezeer het verleden ook uit ficties mag zijn opgebouwd, er is tegelijkertijd niets waarop we meer (denken te) kunnen vertrouwen, niets wat meer zekerheid biedt dan wat is geweest. Er ligt een sluier van vergankelijkheid over, die ons met nostalgie, weemoed, vreugde of spijt kan vervullen, maar er valt niets meer aan te veranderen.
De doden zullen altijd talrijker zijn dan de levenden. En terwijl de doden voor ons bestaan, bestonden wij voor de doden niet. Zo liggen de verhoudingen en zo hebben ze altijd gelegen.
Je moet maar denken: elk tijdperk krijgt de Montaigne die het verdient.
Wat is de rode draad van deze essays? Ironie, in ieder geval, letterlijk van begin (het gedicht bij wijze van motto) tot eind. Ironie waar oprechtheid vaak veel treffender zou zijn geweest. Ironie en een verregaand zelf(over)bewustzijn. In de laatste stukken lijkt wel enige eenheid te gloren. Zo gaan de essays over Solnit en Sehgal beide in zekere zin over een verlangen naar contact en samenzijn. Verder nog wat losse observaties: Zadie Smith had haar eigen essay verdiend (net als de mannen bij de Plas). Ik zou dezelfde regels van Kafavis hebben geciteerd. Wat melodramatisch, ja, maar voor even val ik daar samen met Jan. Wacht even, wil hij nu zeggen dat roodharigen ook gediscrimineerd woden? Gelukkig redt hij zich net op tijd.
Jan Postma (1985) studeerde politicologie, journalistiek en internationale betrekkingen. Als freelancejournalist en fotograaf werkte hij bij verschillende tijdschriften, zoals De Gids, Das Mag en De Groene Amsterdammer. In het voorjaar van 2017 verscheen zijn essaybundel Vroege werken. Het aantal lezers van essaybundels lijkt te groeien, maar het is nog steeds niet het populairste genre in de letteren. Het debuteren met een essaybundel getuigt dus van lef. Daarnaast is het bijeen brengen van vijftien verschillende essays met uiteenlopende onderwerpen een stap die je maar moet durven. De bundel springt namelijk van onderwerpen als ‘jezelf googelen’ naar een expositie van de selfies van Heleen van Royen en van Postma’s bewondering voor Joseph Brodsky naar een muizenplaag in zijn huis. Bovendien kan het essay verschillende vormen aannemen, maar Postma maakt in zijn eerste essay uit de bundel al duidelijk welke vorm hij hanteert:
"Hier is het een verdwaling; hier is het een ironische omarming van het alledaagse narcisme; hier is het vrolijke, zelfbewuste hybris; hier is het een poging tot oprechtheid in het volle besef van de ondoorgrondelijkheid van alles waar lang genoeg over wordt nagedacht (..) hier is het, bij gebrek aan geloof in een enkele, eenduidige en kenbare waarheid, de praktijk van particuliere werkelijkheidsvinding; hier is het essay het zich toe-eigenen van de toevalligheid".
De kern van Postma’s essays wordt gevormd door het zoekende en het dwalende. In zijn stukken schuwt hij niet om van het onderwerp af te dwalen en in te gaan op allerlei toevallige ontmoetingen of persoonlijke anekdotes. Een persoonlijke toon in essays zorgt voor betrokkenheid bij de schrijver, maar kan de lezer ook te veel afleiden van het onderwerp. Daarnaast is het gevaar dat je door de persoonlijke anekdotes niet altijd weet waar Postma heen wil. Dit hoeft geen probleem te zijn en is in sommige essays zelfs de kracht van Postma’s schrijfstijl, maar in andere essays valt het tegen. Het gevaar schuilt in de mate waarin de schrijver in zijn teksten aanwezig is en de eigen ervaringen moeten dus niet de boventoon voeren.
En dit weet Postma zelf ook wanneer hij schrijft dat hij voorzichtig moet zijn met narcisme, maar toch heeft hij besloten om de persoonlijke zijweggetjes, die soms weinig toevoegen aan het verhaal, niet weg te laten. In de essays waarin de persoonlijke anekdotiek wel werkt, gaat het om de boeiende thematiek van de menselijke nieuwsgierigheid naar het zelf. In het essay ‘Van dooie muizen. Over de dingen die komen gaan’, gaat het bijvoorbeeld over de onzekerheden waar iedereen mee te maken krijgt. Met mooi taalgebruik komt Postma tot de volgende conclusie: “wie in onzekerheden kan leven, tegenstrijdigheden niet vreest, kan elk moment opnieuw de werkelijkheid ontdekken zonder uit het lood te worden geslagen.”
Postma heeft voor de ik-vorm gekozen om de werkelijkheid te onderzoeken en inzicht te bieden in de manieren waarop de mens zich tot de ander en de wereld probeert te verhouden. Hoewel zijn mooie persoonlijke waarnemingen niet in elk essay goed tot uiting komen, bevat de essaybundel intrigerende en aan het denken zettende stukken. Over het geheel genomen zijn de beste essays in de bundel echter die waarin Postma niet te veel over zichzelf schrijft, maar zijn essay koppelt aan het werk van andere kunstenaars en schrijft over belangrijke maatschappelijke gebeurtenissen, zoals de immigratieproblematiek. Dit gebeurt bijvoorbeeld in zijn stuk over essayist Rebecca Solnit waarin hij in gaat op hoe mensen reageren op een crisis:
"Een crisis wordt doorgaans pas en ramp wanneer niet-slachtoffers in paniek raken en ze door een ingebeelde bedreiging hun vermogen tot medemenselijkheid het zwijgen laten opleggen".
Hoewel Postma laat blijken dat zijn eigen ‘kleine narcisme’ hem blijft boeien, zal niet iedere lezer zich daar in kunnen vinden. Vroege werken bevat mooie passages en boeiende anekdotiek, maar de goede essays worden soms overschaduwd door de essays die te veel focussen op Postma’s eigen leven. Vroege werken is dus een aardige bundel maar overtuigt niet.
Mijn eerste essaybundel, dus kan geen rechtvaardige mening geven.
Dat neemt echter niet weg van het feit dat ik me met het werk heb vermaakt. Doordat er verschillende thema behandeld worden zijn er natuurlijk onderlinge preferenties, maar over het algemeen zijn de teksten aangenaam en fijn geschreven.
Ondanks dat er (doordat het losse teksten zijn) geen spanning in zit, had ik toch wel de behoefte om door te lezen. Chapeau
Op zich interessante essays en zeker goed geschreven. Wanneer ik goed in een verhaal zat, zoals de tentoonstelling in het Stedelijk, boeide het zeer. Wanneer een verhaal mij wat minder interesseerde, zoals bij naamgenoot Jan Postma, kwam op een gegeven moment de vraag opborrelen 'waarom lees ik dit eigenlijk?'
Een troepje essays waarvan je gerust kan zeggen dat enkele "leuk geschreven" zijn, maar geen enkel echt kan boeien. Zelfs de essays waarin ik oprecht geïnteresseerd was, was ik alweer vergeten tijdens het lezen van het volgende.
De laatste paar essays waren best aangenaam om te lezen, wat vermoedelijk ook de reden is waarom ze op het einde van het boek opgenomen zijn, maar kunnen net niet compenseren hoeveel moeite (aka anderhalf jaar) ik had om de rest van het boek door te komen.