Brieven van de Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942), geschreven tussen 1921 en 1941 aan verwanten en organisaties, waarin hij heikele punten in zijn persoonlijk leven aansnijdt.
Bruno Schulz was a Polish writer, fine artist, literary critic and art teacher of Jewish descent. He was regarded as one of the great Polish-language prose stylists of the 20th century.
At a very early age, Schulz developed an interest in the arts. He studied at a gymnasium in Drohobycz from 1902 to 1910, and proceeded to study architecture at Lwów University. In 1917 he briefly studied architecture in Vienna. After World War I, the region of Galicia which included Drohobycz became a Polish territory. In the postwar period, Schulz came to teach drawing in a Polish gymnasium, from 1924 to 1941. His employment kept him in his hometown, although he disliked his profession as a schoolteacher, apparently maintaining it only because it was his sole means of income.
The author nurtured his extraordinary imagination in a swarm of identities and nationalities: a Jew who thought and wrote in Polish, was fluent in German, and immersed in Jewish culture though unfamiliar with the Yiddish language. Yet there was nothing cosmopolitan about him; his genius fed in solitude on specific local and ethnic sources. He preferred not to leave his provincial hometown, which over the course of his life belonged to four countries. His adult life was often perceived by outsiders as that of a hermit: uneventful and enclosed.
Schulz seems to have become a writer by chance, as he was discouraged by influential colleagues from publishing his first short stories. His aspirations were refreshed, however, when several letters that he wrote to a friend, in which he gave highly original accounts of his solitary life and the details of the lives of his fellow citizens, were brought to the attention of the novelist Zofia Nałkowska. She encouraged Schulz to have them published as short fiction, and The Cinnamon Shops (Sklepy Cynamonowe) was published in 1934; in English-speaking countries, it is most often referred to as The Street of Crocodiles, a title derived from one of the chapters. This novel-memoir was followed three years later by Sanatorium Under the Sign of the Hourglass (Sanatorium Pod Klepsydrą). The original publications were fully illustrated by Schulz himself; in later editions of his works, however, these illustrations are often left out or are poorly reproduced. He also helped his fiancée translate Franz Kafka's The Trial into Polish, in 1936. In 1938, he was awarded the Polish Academy of Literature's prestigious Golden Laurel award.
The outbreak of World War II in 1939 caught Schulz living in Drohobycz, which was occupied by the Soviet Union. There are reports that he worked on a novel called The Messiah, but no trace of this manuscript survived his death. Following the German invasion of the Soviet Union, as a Jew he was forced to live in the ghetto of Drohobycz, but he was temporarily protected by Felix Landau, a Gestapo officer who admired his drawings. During the last weeks of his life, Schulz painted a mural in Landau's home in Drohobycz, in the style with which he is identified. Shortly after completing the work, Schulz was bringing home a loaf of bread when he was shot and killed by a German officer, Karl Günther, a rival of his protector (Landau had killed Günther's "personal Jew," a dentist). Over the years his mural was covered with paint and forgotten.
Dutch translation of about 100 letters of the jewish-Polish writer Bruno Schulz (1892-1942), known for his surreal stories. Unfortunately these letters don't clarify much about his take on literature: most of them are lamentations about his difficult living conditions and his depressions, and pleas for support. Dutch review below.
“in mij zit een zekere koorts en onrust, en een paniek voor ‘het sluiten van de poort’” Van de uitgebreide correspondentie van de joods-Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942) is maar een fractie bewaard. In dit boekje zijn ruim 100 brieven in het Nederlands vertaald. De samenstellers beweren dat een groot aantal van deze brieven door Schulz bewust als literair zijn opgevat. Ik moet zeggen dat ik daar weinig van gemerkt heb. Slechts in enkele brieven geeft de auteur een inkijk in zijn visie op literatuur, met onder andere een pleidooi voor niet-realisme (brief 106), zoals we van de schrijver van De kaneelwinkels mogen verwachten.
Helaas zijn de meeste andere brieven veel trivialer: ze staan vol met zelfbeklag, verwijzingen naar ziektes en periodes van depressie die hem treffen, geklaag over zijn gebrek aan middelen en de saaiheid van zijn job als vaktechnisch leerkracht; tegelijk zie je dat Schulz voortdurend probeert de geadresseerden voor zijn kar te spannen, en hen allerlei klussen opdraagt. Wat me vooral onthutste is dat Schulz in zo goed als geen enkele brief verwijst naar de buitenwereld, naar de dramatische ontwikkelingen die zich in de betrokken tijdsperiode (1934-1941) afspeelden; zelfs in zijn laatste brieven blijft de oorlog (hij bevond zich in het door de Soviets bezette deel van toenmalig Polen) onvermeld.
Na de lectuur van dit boekje heb je inderdaad een beter inzicht in de complexe, nogal hypochondrische persoonlijkheid van Schulz, en in die zin maakt het aannemelijker hoe hij is gekomen tot zijn fantasmagorische verhalen. Op een bepaald moment vergelijkt hij zichzelf met iemand die net uit een diepe slaap ontwaakt: “Iemand wordt wakker en ziet nog de droomwereld die in vergetelheid verzinkt, in zijn ogen heeft hij nog de schemerende kleuren en onder de oogleden voelt hij de zachtheid van het dromen – maar alras zet een nieuwe, nuchtere en montere wereld de aanval op hem in en nog vervuld van innerlijke slaap laat hij zich meesleuren - met tegenzin – in de zaken en processen van de wereld”. Het is een mooi beeld, maar helaas te zeldzaam in deze correspondentie.
Onlangs herlas ik weer eens het fenomenale en woest-originele proza van de briljante en barokke Bruno Schulz, een schrijver van wie ik helemaal idolaat ben. Zijn zojuist vertaalde brievenverzameling kon ik dus niet laten staan. En van die brieven genoot ik eveneens zeer, terwijl ik normaal gesproken niet zo houd van brievenboeken. Maar dit brievenboek is echt een must voor fans van de ongeëvenaarde Bruno Schulz, omdat ze flonkerend zijn van stijl, omdat ze ons veel moois en ontroerends vertellen over de angsten en obsessies van deze zo getourmenteerde man, en omdat ze prachtige inkijkjes bieden in de beweegredenen achter zijn oeuvre.
Het leven van Schulz (1892- 1942) was kort en tragisch: zijn leven lang belette levensangst hem om te ontkomen aan een troosteloze positie als tekenleraar in een vrij onaanzienlijke plaats, en allerlei tegenslag stond zijn volledige ontplooiing als schrijver en beeldend kunstenaar vaak zeer in de weg. Als Jood werd hij bovendien vervolgd, en -net als veel van zijn vrienden- door de Nazi's vermoord. Ook in de liefde was hij bovendien zwaar ongelukkig. Veel van zijn duizenden brieven gingen verloren, net als een aantal novellen en de roman "De Messias" die zijn magnum opus had moeten worden. Dit alles staat ruimschoots garant voor de nodige kommer en kwel in zijn persoonlijke brieven, te meer omdat hij de aangeschreven personen daarin overstelpt met verzoeken die hij eigenlijk niet durft te doen en met wurgende verlegenheid. Maar daarnaast staan er ook veel heel prachtige zinnen in over wat hem drijft als kunstenaar. En dat geldt in zeker zo sterke mate voor zijn open brieven aan de eveneens geniale en eveneens experimentele Poolse schrijvers Witkiewicz en Gombrowicz: daarin zegt hij bovendien bijzonder diepzinnige en leerzame dingen over de overeenkomsten en verschillen tussen zijn eigen werk en dat van Gombrowicz. Soms zit dat in terloopse zinnen, b.v. een zin als "De lente is zo mooi- men zou moeten kunnen leven en de wereld opslokken", een jubelende zin vol verlangen, die er extra uitspringt door de totale wanhoop van de brief als geheel. Een zin ook die nog maar eens aangeeft hoe urgent het voor Schulz was om zijn volstrekt groteske verhalen te schrijven over de lente, zodat hij in die verhalen tenminste kon "leven en de wereld opslokken". En wat te denken van een zin als: "Ik ervaar steeds vaker dat de verwondering over de wereld en de uitbarstingen van onbevangen vreugde slechts verschijningsvormen zijn van individuele hoop, algemene verbeeldingen van vitaliteit, vormgegeven in artistieke gevoeligheid". Precies dat is de hoop en de artistieke gevoeligheid van Bruno Schulz, en het groteske en totaal anti-conventionele karakter van zijn proza was voor hem een manier om zo veel mogelijk en zo hevig mogelijke "uitbarstingen van onbevangen vreugde" te bereiken. Ook wel om uiting te geven aan zijn levensangst, zo zie je in de brieven, maar die vreugde was minstens zo wezenlijk, evenals het verlangen om de "volheid en mateloosheid" van de kindertijd te herbeleven. "Het bewust en doelgericht schenden van het realisme heeft bepaalde nieuwe mogelijkheden geopend", zegt Schulz, met als doel "een rijke inhoud te bieden, de eigen wereld te schenken [...], het eigen innerlijk te tonen".
Exact dat deed Schulz op ongeëvenaarde wijze in zijn zo onconventionele verhalen. En ook vaak in deze brieven, bijvoorbeeld als hij een hem fascinerende vrouw schrijft: "Ik ben nog altijd in de ban van uw bekoorlijke metamorfosen. Ik denk dat ze om die reden zo ontroerend zijn, omdat ze zo onafhankelijk zijn van uw wil, zo automatisch en onbewust. Het is alsof iemand heimelijk een ander naar voren schuift, u vervangt, en alsof u die nieuwe persoon aanvaardt en als uzelf beschouwt en uw rol verder speelt op een nieuw instrument. [....] Dit alles gebeurt als het ware buiten het intellect om, op een of andere kortere en simpeler weg dan de weg van de gedachten, gewoon als een natuurkundige reactie. Voor het eerst kom ik een dergelijke innerlijke rijkdom tegen, die niet lijkt te passen binnen het bereik van een persoon en die daarom secundaire persoonlijkheden lijkt te activeren, improviserende pseudopersonen die ad hoc zijn geschapen voor de duur van een of andere korte rol die u moet spelen. Zo leg ik uw proteusnatuur uit".
De verhalen van Schulz kun je lezen als de voortdurende ontvouwing van een unieke en ongehoord originele artistieke sensibiliteit, of van een blik en een geest die de grauwe wereld omzet in een metamorfoserend bont spektakel. In zijn brieven doet hij dat soms ook, en maakt hij bovendien indringend voelbaar dat hij niet anders kon. En daarom vond ik die brieven een heel mooie aanvulling op zijn toch al schitterende oeuvre.