Menselijk gedrag kan zo tegenstrijdig zijn dat we er haast geen vat op krijgen. Waarom kwetsen we soms degene van wie we houden en hechten we ons aan iemand die niet om ons geeft? Waarom willen we zo vaak iets wat niet samengaat? Want wie kan er nu zowel vrij en onafhankelijk zijn als zich veilig en geborgen weten? Wie kent dat niet: 'twee zielen in één borst'?
Voortdurend zoeken mensen hun weg tussen strijdige verlangens. In Wie wij zijn beschrijft Frank Koerselman hoe die zoektocht van invloed is op hoe we in het leven staan - op hoe ons dat kwetsbaar of juist weerbaar maakt. Nu eens zal dat herkenning oproepen, maar soms ook verrassing of zelfs tegenspraak. Want uiteindelijk gaat dit over de kern van onze identiteit en raakt het ons in wie wij zijn ...
Frank Koerselman is emeritus hoogleraar psychiatrie en psychotherapie.
Frank Koerselman is als hoogleraar psychiatrie en psychotherapie verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Daarnaast is hij hoofd van de afdeling psychiatrie van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis te Amsterdam.
Persoonlijk ben ik nogal teleurgesteld in het werk. Ik had gehoopt op een werk dat de vragen rond identiteit verkent met een stevige wetenschappelijke basis, maar wat ik kreeg was een werk waarbij de auteur schijnbaar zijn enige meningen verkondigd, die bijna nooit ondersteund lijken te worden door wetenschappelijk onderzoek en vaak nuance missen.
Het stuk dat mij persoonlijk het meest voor de borst stootte, is te lezen in Hoofdstuk 3. Prof. Koerselman waagt zich op glad ijs, door specifiek het voorbeeld van pedofilie te gebruiken om te duiden hoe veranderingen in de basisverlangens vaneen maatschappij kan zorgen voor een verandering aan betekenis. Jammer genoeg zakt de auteur door het ijs: hij maakt boute stellingen over dit zeer gevoelige onderwerp, zonder die goed te onderbouwen of te nuanceren.
Zo schrijft Prof. Koerselman op het einde van het hoofdstuk dat "Terwijl kinderen in deze tijd over zo goed als alles mogen meebeslissen, maken we een uitzondering voor wat het meest intiem is" (lees: seksualiteit met kinderen) (p. 145). Dit argument is nogal provocerend, en staat duidelijk op losse schroeven.
Ten eerste is het duidelijk een valse vergelijking: dat ouders hun kinderen laten mee beslissen over de kleren die ze dragen, de hobby's die ze doen, of om hoe laat ze 's avonds naar bed gaan is wel iets heel anders dan hen te laten beslissen over iets dat ze amper begrijpen. Ten tweede is deze stelling volledig doof voor wat pedofilie doet met de kinderen die er het slachtoffer van zijn. Als hoogleraar psychotherapie én psychiatrie verwacht ik dat de professor voldoende wetenschappelijke literatuur heeft gelezen én schrijnende getuigenissen heeft gehoord om vertrouwd te zijn met die gevolgen voor de slachtoffers. Toch worden de gevolgen voor de slachtoffers schijnbaar geminimaliseerd: het boek zegt dat pedofilie "schadelijke gevolgen voor [de kinderen] kan hebben" en dat "de emotionele reacties op pedofilie vaak nogal disproportioneel zijn" (beiden p. 145). Ik weet niet goed welk argument Prof. Koerselman precies probeerde te maken, maar naar mijn aanvoelen slaat hij de bal volledig mis.
Ook in de andere hoofdstukken zijn er veel uitspraken waar ik me toch ernstige vragen bij stel. Verbieden inderdaad álle religies ter wereld en doorheen de geschiedenis abortus, euthanasie en zelfmoord? (p. 226) Proberen humanisten inderdaad "het gezin met een vader en een moeder (...) voor iedereen te ontmantelen"? (p. 239) Is het inderdaad uit een gevoel van betrokkenheid met de collega's dat mensen 's ochtends vroeg in de file staan en dat "het zo aangeprezen thuiswerk nooit echt van de grond komt"? (p. 200) Waarop baseert de auteur zich als hij stelt dat "open voor verscheidenheid" de oorspronkelijke betekenis van conservatisme is? (p. 220). Bij deze en andere claims stel ik me toch serieuze vragen naar hoe waarachtig ze zijn.
Professor Koerselman is er zeker in geslaagd in zijn doel om deze lezer "stof tot nadenken te geven" (p. 19), maar niet op de manier waarop hij waarschijnlijk voor ogen had. Ik vroeg me voornamelijk af wat de waarde van dit werk is: persoonlijke meningen van een emeritus hoogleraar zijn ook maar persoonlijke meningen, zeker als weinig nuance bevatten en niet gestoeld lijken te zijn op wetenschappelijk onderzoek.