Het lijkt nogal arrogant om te zeggen dat ik delen van mezelf herkende in de door Leon Verdonschot geschreven biografie van Luc De Vos en wellicht zelfs bijzonder vreemd voor wie mij kent (en Luc De Vos ook): hij lijkt één van de meest ongecompliceerde mensen die er ooit waren in Gent en zelf ben ik ik zal het maar zelf toegeven- behoorlijk gecompliceerd. Maar misschien (het zou een Vos-aforisme kunnen zijn) schuilt er wel een Vos in elk van ons.
Aan de hand van fragmenten uit boeken en nummers die hij schreef, wordt duidelijk dat de artiest en de mens Luc De Vos in hoge mate samenvielen. De grote kunst, zo vond ik altijd al en zie ik in deze biografie nog maar eens bevestigd, van Luc De Vos was dat hij erin slaagde om die zinnen die je honderdmaal hoort, die horen bij hoe er gesproken wordt in Wippelgem, Gent, Oost-Vlaanderen (en wellicht ook nog wel een eind daarbuiten), die als nietszeggende clichés betekenisloos niet eens in ons geheugen leken opgeslagen, dat hij nét die zinnen zo'n poëtische kracht kon geven dat je voorbij het cliché leerde kijken, dat je snapte waarover het ging, dat je herkenning voelde, door de taal maar ook doordat de onderliggende boodschap nooit moeilijk te ontcijferen viel.
Zelf van Gent en fier in deze stad te wonen (al bijna heel mijn leven), hoort hij zo onlosmakelijk bij deze stad dat werkelijk iedereen die ik hier ken (ook beroepsmatig, mensen die in een heel andere wereld dan die van mijn vrienden en kennissen leven), hem kende. En ik had ook dat gevoel dat ik hem kende omdat ik hem soms in de Delhaize in Ledeberg zag met zijn zoontje. Hem aanspreken durfde ik niet (dat vind ik bij alle muzikanten altijd moeilijk) en toch kon ik blij thuiskomen en zeggen "ik heb Luc De Vos gezien in de Delhaize!" alsof we daar dan een half uur een gesprek gevoerd hadden over muziek, de samenleving, Gent en het vaderschap (heel vaak was ik daar met mijn zoon of dochter of beiden). En mijn lief, uit Brugge, aan haar kan ik het maar niet uitleggen, hoe Luc De Vos het meest verbindende is wat deze stad heeft, nog meer dan AA Gent (want je hebt hier zelfs, ongelooflijk maar waar, Club Brugge-supporters!) en de Gentse Feesten.
Toen mijn zoon nog voetbalde, waren we in de kantine van de ploeg waar hij moest spelen, ik vermoed een jaar nadat hij gestorven was, en op de radio speelden ze "Mia" als eerbetoon, op alle zenders op hetzelfde moment. Mijn zoon speelde bij Tenstar Melle en het was een kantine aan de andere kant van de stad. En in die kantine zong iedereen, écht waar iedereen, mee met "Mia". Een meer divers publiek was er amper denkbaar en toch... "Mia"!
Dat Leon Verdonschot erin slaagt om al die gevoelens, al die herinneringen, al die pracht van zijn teksten, de wonderbaarlijke contradictie van ogenschijnlijk doordeweekse zinnen ("soms vraagt een mens zich af", "wie zal er voor de kinderen zorgen?", "Veronica komt naar je toe" waarbij je de reclamespotjes van Veronica op de Nederlandse tv terug in gedachten ziet,...) die toch een zo diepe tristesse én hoop én herkenning én opluchting omdat anderen het ook niet makkelijk hebben,... kunnen herbergen. om alles wat hij teweegbracht, zo sterk tot leven te wekken, is een bijzonder knappe prestatie. En ik heb genoten van de epiloog, vooral de gesprekken met Lucs zoon Bruno. Hoewel mijn relatie met mijn intussen bijna 15-jarige zoon natuurlijk niet hetzelfde is, en ik nooit dezelfde gesprekken met hem zou hebben, is het zo herkenbaar. Misschien schuilt daarin niet allen de kracht van Luc De Vos' teksten, maar van zijn hele leven: hij gaf je het gevoel dat hoezeer de details ook mochten verschillen, we in wezen dezelfden waren...