De autorevolutie begon op 1 december 1913 in Detroit, Michigan. Vanaf die dag produceerde de Ford-fabriek de simpele en relatief goedkope T-Ford aan de lopende band. Ford stelde de Amerikaanse middenklasse en de beter verdienende arbeider in staat een eigen auto te kopen. In Europa voltrok de revolutie zich pas na 1960, na de snelle welvaartsgroei in de jaren vijftig. Elk Europees industrieland leverde een eigen bijdrage aan de ‘automobilisering’. De Duitse Bondsrepubliek produceerde de luidruchtige, maar uiterst solide vw kever, die de meest geproduceerde auto ter wereld zou worden. De Fransen kwamen met de ingenieuze 2cv en de Engelsen met de briljante Mini. Het allerliefste autootje was zonder meer de Fiat 500. Binnen vijftien jaar stond Europa op de wielen.
Maarten van Rossem is a Dutch historian, presenter and commentator. He specializes in the history and politics of the United States. As an expert on America, he is a frequent guest on television talk shows. His public career started when he was asked to comment on the 1984 vice presidential elections. He makes regular TV appearances and gives frequent public lectures.
Ik houd normaal helemaal niet zo van auto’s, maar Van Rossem schrijft het op zo’n manier dat het me toch weet te boeien. De combinatie van techniek met geschiedenis maakt het echt een aanrader!
In een begeleidende zin bij de bibliografie omschrijft van Rossem dit als 'een projectje'. Naar mijn gevoel een juiste beschrijving, want erg in de diepte gaat dit boek niet.
Samen met Rudy Kousbroeks 'De archeologie van de auto' is dit één van de weinige werkjes in ons taalgebied die desalniettemin voorbijgaan aan het geestdodende proza waarmee auto's meestal bedacht worden.
En net zoals bij Kousbroek wordt hier gelukkig voorbijgegaan aan Ferrari's, Lamborghini's of andere zogenaamde 'spannende' auto's. Hier krijgen de Citroën 2CV, Trabant, Volkswagen Kever, Renault 4 en Mini de ruimte die ze verdienen.
Vooral het hoofdstuk 'Militaire volkswagens' leverde me nogal wat nieuwe kennis op omtrent de ontwikkeling van de Jeep en de Kübelwagen. Over het verschil tussen de Amerikaanse Jeep en de Duitse Volkswagen Kübelwagen noteert hij:
'Amerikaanse producten zijn simpel en robuust en doen wat ze moeten doen. Duitse producten zijn slimmer en subtieler, wat weleens leidt tot nodeloze complexiteit'.
Qua auto's gaat die vlieger wat mij betreft vandaag nog steeds op. Een Tesla Model S is in vergelijking met een BMW i3 een plompe auto, alle verkoopspraatjes van Musk ten spijt.
Hoewel ik van kindsbeen af een erg grote liefde koester voor de Volkswagen Kever (waarschijnlijk veel te veel Herbie-films bekeken tijdens de grote vakantie), is mijn sympathie voor de Citroën 2CV (dat hysterisch gespin van dat motortje!) bijna even groot.
'Laat ik daarom hier met nadruk stellen dat de TPV (Toute Petite Voiture of beter gekend als 2CV of 'het eendje') origineler en belangrijker was dan alle supersportwagens ooit geproduceerd'.
Hallelujah! Ook de manier waarop van Rossem het opneemt voor de Trabant charmeerde me zeer. Nogal wat mensen zien die auto als een symbool voor het armetierige regime in de DDR. Wanneer je weet met hoe weinig middelen (geen staal, een autofabriek die dateerde van voor W.O. II) die auto in elkaar geschroefd werd, is die Trabant niets minder dan een wonder van ingenieus denken.
Op de laatste bladzijde noteert van Rossem: 'De geheel zelfstandig opererende auto zal van de auto definitief een neutraal stuk transportgereedschap maken'. Zo voel ik dat ook aan. Vooral omdat het merendeel van de mensen - zo vermoed ik toch - nu al geen enkele band meer hebben met hun auto. De auto - meestal een Kever, 2CV, Renault 4 of Fiat 500 -die na W.O. II hordes mensen op plaatsen bracht waar ze anders nooit zouden komen is al lange tijd definitief 'onttoverd'.
Voor mij zal het nooit iets neutraal worden, daarvoor zie ik die dingen op vier wielen veel te graag.