Memoires van een Nederlandse ambassadeur, geeft mooi kijkje in de wereld van Buitenlandse Zaken. Inclusief de minder mooie aspecten (racisisme, oplichting door via vervalst huurcontract meer geld te declareren, typisch ambtelijk gedrag; BZ'er arriveert op vrijdag in Roemenie waar net de omslag plaats vindt en ambtenaar dacht pas op maandag eens te gaan kijken [dat laatste voorbeeld herken ik niet als "normaal").
Ook aardig dat Stork pleit voor meer meriocratie en diversiteit bij aanname BZ'ers. Hij is zelf denk ik ook/vooral door zijn naam uiteindelijk aangenomen (2x gezakt voor eindexamen, ook deel van toegangsexamen niet gehaald). Uit relaas blijkt wel dat hij goede vertegenwoordiger voor Nederland was. (hoewel het ook niet altijd heel hard werken was)
Citaten:
De rode ambassadeur
Dat Luns nu uitgerekend een sinjo naar Zuid-Afrika stuurt is toch wel merkwaardig.’ Die opmerking trof me. ‘Misschien kun je je toon een beetje veranderen,’ zei ik. ‘En ik wou graag vanaf nu weer u tegen je zeggen.’ Het viel stil, de stemming op het etentje, dat ze zelfs voor míj hadden georganiseerd, was bedorven. Het leek me nodig de man aan te spreken op zijn opvattingen. Daarom ging ik door: ‘Zo praat je niet over iemand die je niet eens kent, en die door ons, door Nederland, wordt uitgezonden om in Zuid-Afrika een moeilijke job uit te oefenen.
Ik kreeg de leiding over de economische afdeling in Pretoria, die bestond uit mijzelf en een secretaresse. Het werk was even veelomvattend als mijn afdeling: ik diende rapporten te schrijven over de economische ontwikkelingen. Dat betekende stukjes uit kranten knippen en die stukjes naar Den Haag sturen. Het consulaat-generaal in Johannesburg verrichtte de echte handelsbevordering.
Aangezien mijn werk nauwelijks beslag op mij legde, kon ik me regelmatig richten op mijn eigen interesses: politiek, literatuur, schilderkunst.
Op zijn eerste werkdag liet Lewe de hele staf bij elkaar roepen in ons vergaderzaaltje. We stonden met zo’n twintig man te luisteren naar een vrij kleine man, met een groot, lang hoofd. Na wat inleidende clichés over hoe blij hij was op deze belangrijke post benoemd te zijn, zei hij: ‘Maar één ding: nemen jullie op dit moment alstublieft geen voorbeeld aan ons vaderland, waar de miljoenen in het water gegooid worden om de negers met hun tenen te leren spelen.’
Toen Kiki de volgende zomer met een paar Amerikaanse vrienden naar Alicante vertrok en ik alleen in Madrid achterbleef, kwamen Ellen en ik nader tot elkaar. Bijna onmiddellijk raakte zij zwanger, wat de nodige complicaties met zich meebracht,
In tegenstelling tot in Madrid, waar ik tot over mijn oren in de consulaire dossiers zat, stelde mijn werk in Buenos Aires weinig voor. Nadat mijn voorganger, Ben Bot, was overgeplaatst, was de post van zijn zware kanten ontdaan.
Dat ik verder kwam af te staan van de omgeving waarin ik ben opgegroeid – de a-politieke zakenmannen, de hogere burgerij, de zogenaamde elite – heeft met die keuze te maken: staan voor wat je het minst slecht vindt. En als daardoor oude vrienden in vijanden veranderen is dat niet meer dan jammer.
ik studeerde, slecht en veel te lang. Raakte in het diplomatenklasje verzeild, werd
Het ging hier om twee huurcontracten voor de woning van Van Voorst. Vreemd. Het bedrag op het ene contract was beduidend hoger dan op het andere. ‘Ik denk dat ik wel weet welk contract naar Den Haag is gestuurd,’ zei Smid.
de officiële functie van Van Voorst was ambassaderaad. ‘Het gaat niet om de carrière van onze Raad,’ antwoordde ik, ‘maar om oplichting van de Nederlandse Staat.’
Ik las veel kranten, maakte dagelijks grondige knipselmappen voor alle afdelingen van de ambassade, maar niemand had de tijd om die mapjes in te kijken. Er is me wel gevraagd of ik geen spijt heb gehad van mijn keuze voor de diplomatie. Ik heb vaak het idee gehad dat ik overbodig was, dat niemand gebruikmaakte van mijn ijver. Het voordeel daarvan was dat ik genoeg tijd overhield voor tweedehandsboekwinkels.
; het is onbehoorlijk en ondoeltreffend alleen de ambassades te bezoeken die voor Nederland van belang zijn en de vertegenwoordigers van de minder ontwikkelde, bijvoorbeeld Afrikaanse, landen links te laten liggen.
Als ik meen in Cuba enigszins van belang te zijn geweest, dan bepaald niet op de manier die toenmalig minister Luns van Buitenlandse Zaken het diplomatenklasje voorhield waar ik in 1959 deel van uitmaakte. ‘Op de eerste plaats,’ doceerde Luns toen, ‘dient u natuurlijk het Nederlands Belang. Op de tweede plaats het Nederlands Belang. Op de derde plaats ten slotte: het Nederlands Belang.’ Hij doelde hiermee op de politieke en economische belangen van ons land. Die zijn mij te beperkt, ik denk dat het belangrijk is dat je juist als Nederlands diplomaat mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking en cultuur in het vizier moet houden.
Een goede diplomaat doet niet alleen verslag van wat hij ziet of hoort, maar zet zich ook persoonlijk in, laat zien wie hij is, wat hij goed vindt, slecht vindt. Een diplomaat probeert na te gaan of wat er in een land speelt tegen zijn gevoel van menselijkheid in gaat of niet. En of tegen een eventuele overtreding daarvan geprotesteerd moet worden.
Natuurlijk, journalisten belden mij ook omdat ze wisten dat ik hen te woord zou staan. Voor een diplomaat is dat niet gebruikelijk. Bij Buitenlandse Zaken willen ze je bijbrengen dat je op je hoede dient te zijn voor de pers: ‘Bij twijfel niets vertellen maar contact opnemen met het ministerie.’ Ik deel die koudwatervrees niet. Ik ben in al die jaren nooit door een journalist beduveld. Bovendien: geen westerse politicus ontkent dat onafhankelijke journalistiek een van de pijlers is van een goed functionerende democratie. En desondanks duikt in de diplomatieke wereld altijd weer de angst voor de pers op, zelfs in Nederland.
Er wordt bij de keuring voor toelating, geloof ik, wat minder gelet op afkomst, en hantering van mes en vork, en wat meer op kennis en karakter.