De afvalligen is geen gemakkelijk boek. Het opent met een lezer die een bijna mystieke ervaring krijgt tijdens een nachtelijke leessessie, die helemaal opgezogen wordt in wat hij leest, die genomen wordt. Hij laaft zich aan de woorden en daalt daardoor af in wat hij zelf een tussenwereld noemt. Ongetwijfeld wilde Peter de Graeve zijn lezers een soortgelijke leeservaring bieden, maar zijn debuut schiet dat doel voorbij.
De Graeve hanteert in zijn roman een overweldigende, barokke taal vol intertekstuele verwijzingen. Het zal wel de kinderziekte der debutanten zijn om je hele arsenaal in te zetten en alles uit je pen te willen persen, maar daardoor mist deze roman noodzakelijkheid en zeggingskracht. Met momenten wordt de taal zelfs echt impressionistisch, waardoor vorm en klank de overhand krijgen op betekenis en verhaal. In proza dichten met denkbeelden, moet de Graeve hebben gedacht.
De afvalligen is een mix van filosofie, poëzie en romanschrijverij. Het van de hand doen als een De wereld van Sofie voor volwassenen is wat kort door de bocht, maar er zijn wel wat parallellen te trekken tussen beide boeken. "Wie ben ik eigenlijk?", vraagt het hoofdpersonage uit De afvalligen zich op een gegeven ogenblik af. In tegenstelling tot het werk van Jostein Gaarder dient de vraag hier echter niet als filosofische premisse, wel als illustratie van een nijpend besef dat het eigen persoonlijke leven tot hiertoe niet veel te betekenen had.
Erg vrolijk worden we er niet van. Het is een vreemde paradox: het hoofdpersonage schept een onwaarschijnlijk intens genoegen in lezen, maar blijft zich tegelijk pijnlijk scherp bewust van het besef dat al die boekenwijsheid geen soelaas brengt. Integendeel. Vertwijfeling, slapeloosheid en eindeloos gepieker vloeien eruit voort. Maar we leerden van de Graeve ook dat niet-vrolijk-zijn niet de allesbepalende definitie van ellende is. We hebben het gelukkig dus alsnog goed voor elkaar.
Dit debuut smaakt, ondanks de kinderziekte, naar meer. De liefde voor lezen zit diep in deze bladzijden geworteld en de Graeve bezit voldoende eruditie om nog een aantal boeken bij elkaar te schrijven. We horen het hem al zeggen met de stem van Terminator: "I'll be back". Evenwichtiger, hopen wij, en beheerster, zodat alles iets leesbaarder en nog meeslepender wordt.
Dit is geen roman, dit is een hoorcollege filosofie op minstens universitair niveau waartussen enkele regeltjes verhaal geslopen zijn. Niet oninteressant, als Rousseau, Plato en Kant oude bekenden van je zijn. Maar dit was heel diepzinnig, over tijd en ruimte, droom en werkelijkheid, zin en identiteit, leven en dood. Na nagenoeg elke zin zou je een half uur moeten pauzeren en nadenken over op welke manieren je die allemaal kan interpreteren. Willekeurig voorbeeld: “Maar ik zwijg ongenadig verder en bedenk nog dat de dood, onze dood, ik bedoel de dood waar wij, de levenden, met open ogen en monden omheen verzameld staan, een rivier is die we ons herinneren en niet herinneren, die we zien en niet zien. We vergaan en we gaan niet.” En dat meer dan 350 bladzijden aan een stuk, zwoegen hoor! Voor de liefhebbers zal dit smullen zijn, maar het was echt niks voor mij.
Ik ben beginnen lezen in de trein en had niks anders bij. Ik was al zo ver gevorderd dat ik dacht ik lees maar verder. Ik heb mij heel het boek zitten afvragen waarover gaat dit eigenlijk. Naar mijn gevoel is er geprobeerd om er teveel in het boek te stoppen. Teveel filosofen, teveel intellectuele gesprekken…