In Bangladesh verdrinkt Tommie Vaulant, een jeugdvriend van diplomaat Bo, op raadselachtige wijze in de Golf van Bengalen. Bo ontvangt van Tommies weduwe papieren, die een merkwaardig licht werpen op het gedeelde verleden van de vrienden.
De hoofdpersoon is de schrijver van het verhaal en daarin gebruikt hij de ander als de spiegel van zichzelf. De onderschriften lijken in werken van F. Springer de lezer op het juist spoor te zetten. In Quisamma was het ‘een relaas’, hier is het ‘een gedenkschrift’. Het boek is opgebouwd uit korte stukken, waarvan sommige cursief gedrukt zijn. Achteraf blijkt de roman een verzameling gedenkschriften te zijn, die de zuster van Tommie Vaulant na diens dood toestuurt aan de ik-figuur. Er spelen dan verschillende verhalen door elkaar: Indonesische ervaringen van de opa van Tommie, eigen jeugdherinneringen en vooral ervaringen als Nederlands ambassadeur in Bangladesh met als standplaats Dacca.
Het zet de lezer op het pad van wat F. Springer wil beschrijven: de vriendschap, liefde, met het verstrijken van de tijd. Het is een bijzonder boek!