Jeroen Brouwers was a Dutch journalist and writer.
From 1964 to 1976 Brouwers worked as an editor at Manteau publishers in Brussels. In 1964 he made his literary debut with Het mes op de keel (The Knife to the Throat).
He won the Ferdinand Bordewijk Prijs in 1989 for De zondvloed, and in 1995 the Prix Femina for International works for his book Bezonken rood (Sunken Red). In 2007 he refused the Dutch Literature Prize (Prijs der Nederlandse Letteren) - the highest literary accolade in the Dutch-speaking world - because he considered the prize money of €16,000 too low for all his work.
Jeroen Brouwers’ Zonsopgangen boven zee (1977) wordt vaak geprezen als een technisch meesterwerk, maar voor mij bleek het vooral een frustrerende leeservaring. De roman is beklemmend in zowel thema als structuur, en hoewel dat ongetwijfeld een bewuste keuze is, maakte het de leesbaarheid er niet beter op. Mijn grootste struikelblok was de moeilijk te volgen verhaallijn: de drie narratieve lagen – de fysieke opsluiting van de protagonist in een lift, zijn traumatische herinneringen aan mislukkingen in zijn leven, en de metafictionele laag waarin het boek zichzelf lijkt te schrijven – vloeien voortdurend in elkaar over, waardoor het lastig was om grip te krijgen op de gebeurtenissen en hun samenhang.
De claustrofobie van de protagonist – opgesloten in een lift, gevangen in zijn herinneringen en opgeslokt door een metafictionele constructie – wordt effectief overgebracht, maar op een manier die eerder vermoeit dan fascineert. De eindeloze herhalingen en de obsessieve, zelfreflectieve monoloog maakten dat ik meer worstelde met de tekst dan dat ik werd meegesleept door het verhaal. Het labyrintische taalgebruik, hoe knap ook, werkte voor mij eerder als een barrière dan als een verrijking.
Er valt zonder twijfel veel te bewonderen aan Brouwers’ literaire techniek, maar het resultaat voelde voor mij te hermetisch, te veel als een gesloten systeem waarin ik verdwaalde zonder houvast. Waar sommige lezers zich wellicht laten meevoeren door de koortsachtige cadans van het proza, bleef ik vooral achter met een gevoel van afstand en frustratie. Daarom twee sterren: ik zie de literaire kwaliteit, maar kon me er niet in verliezen. Ik heb genoten van zijn andere romans: bezongen rood; winterlicht; Joris Ockelon; het verzonkene en cliënt Busken. Ik ben benieuwd naar het hout; Geheime Kamers en De Zonvloed.
Nog nooit las ik iets van Jeroen Brouwers. Maar leesvrienden lieten mij onrustbarend vaak weten dat ik daar verkeerd aan deed. Mijn onrust nam nog toe doordat Lodewijk Verduin, een volgens mij erg interessante recensent, de tijd en moeite nam om een heel boek over Brouwers te schrijven: "Eenzaamheid in eindeloos meervoud". Bovendien zei Verduin in een interview in "De Groene" dat hij, als enorme Nabokov- fan, toch Brouwers verkoos boven Nabokov, en dat hij Brouwers' "Zonsopgangen boven zee" wel drie keer gelezen had. Een korte blik in Verduins boek (even bladerend in de boekhandel) leerde mij vervolgens dat Verduin "Zonsopgangen op zee" omschrijft als "een briesend en brullend bouwwerk van taal" dat binnen en buiten Nederland nauwelijks gelijken heeft. Dat alles maakte mij wel heel nieuwgierig, dus ik kocht en las "Zonsopgangen boven zee". En daar ben ik heel blij mee, want ja, ik ben flabbergasted.
Hoofdpersoon en ik- verteller is een zichzelf en de wereld vol intense walging hatende veertiger, die vanwege zijn ook in eigen ogen lachwekkende omvang "Baloe" wordt genoemd. Iets voor kerstmis leert hij de veel jongere Aurora kennen, met wie hij eerst inkopen doet en vervolgens gevangen raakt in een klemgeraakte lift. Baloes beklemming en zelfhaat wordt al meteen duidelijk door zijn observatie van zijn eigen in beschadigde kerstballen weerspiegelde gezicht: "Het kerstrood is hier en daar van de ballen afgeschilferd, - op die plaatsen is een onderliggend, zwart bespikkeld zilver zichtbaar. Het zilveren, zwart bespikkelde waterhoofd dat ik heb is een met emmers kerstrood volgegoten, nog net niet aan flarden spattend condoom: - zo geven de kerstballen het weer". Dat motief - dus dat gebroken en vervormd spiegelbeeld, dat een grotesk en afzichtelijk beeld laat zien- wordt later nog meerdere malen herhaald. Bijvoorbeeld in een passage waarin de kerstbalspiegeling gespiegeld wordt door de spiegel in de lift: "Ik in de spiegel. Mijn spiegelbeeld wordt in het zilveren binnenste van de stukke kerstbal weerspiegeld en deze weerspiegeling weerspiegelt zich in de spiegel, eindeloos, door geen tijd begrensd en overal, altijd heb ik de hik. Alle vrouwen en meisjes spugen naar mij van kwaadheid en verontwaardiging. Ik haat ze alle. Ik verdien veel straf". Nog later luidt het "Ik denk dat ik mezelf zie alsof ik door scherven van kerstboomversiersels wordt weerspiegeld, in stukjes en brokjes, terwijl er ook veel stukjes en brokjes van mij ontbreken". Kerstballen doen de meeste mensen denken aan feest, aan de geboorte van Christus, aan de tijd van het nieuwe licht, aan nieuwe hoop. Maar Baloe ziet alleen gefragmenteerde kerstballen, die de fragmentatie symboliseren van dit feest van geboorte en hoop, en daarin ziet hij de gefragmenteerdheid van zijn gezicht en zijn leven. En ook niet mis is wat hij ziet (of fantaseert dat hij eerder zag) in een kleerkastspiegel: "Ik zag de spiegelweergave van de akeligwittigblauwe vleesglobes waaruit de voor- en achterkant van mijn lichaam en daarbovenop de bol met gedachten die warrelen zodra de bol beweegt, - maar ik keek niet naar mezelf" .
Intrigerend, hoe die toch al groteske en onwerkelijke spiegelbeelden door hun herhaling ook elkaar gaan spiegelen en elkaars groteske onwerkelijkheid versterken. Intrigerend ook hoe Baloe zich eerst ziet in de gebroken of beschadigde bolvormen van de kerstballen, en zichzelf later in een gewone spiegel ziet (of fantaseert zich te zien) als een verzameling onsmakelijke en "akeligwittigblauwe" bolvormen. Door die herhalingen krijgt Brouwers tekst een sterk muzikaal, fugatisch karakter: motieven herhalen elkaar, versterken elkaars nadruk, variëren op elkaar, corrigeren elkaar soms, keren elkaar om en vermengen zich met elkaar. Dat geeft zijn tekst veel schoonheid en rijkdom. Als van een lied dat het 'normale' proza ontstijgt. Of als van een geschakeerd prozagedicht waarin de taal als het ware gaat zingen, en als lezer zing je mee. Tegelijk maken die herhalingen Brouwers tekst ook enorm indringend, omdat ze de obsessies van de ik- figuur zo pregnant voelbaar maken: in dit voorbeeld de zelfhaat en zelfgevoelde onwerkelijkheid bij zijn eigen spiegelbeeld, die maar blijft spoken en spoken in zijn hoofd en die die steeds opnieuw en op steeds andere manieren herhaald moet blijven worden. Bovendien zit "Zonsopgangen boven zee" helemaal vol met verschillende andere motieven, die door hun fugatische herhalingen en variatie spectaculair prachtig zijn en tegelijk naar de strot grijpend zo indringend. Klemzittend in de lift bedenkt Baloe bijvoorbeeld: "zo bevind ik mij hier in een kubusvormig omhulsel. Wat mag dit zijn? Een vlies, een bel, een ei. Een kist. Een lift. Een moeder". Het vastzitten in de lift is voor Baloe het vastzitten in een beklemmende, benauwende ruimte, met bovendien allerlei raadselachtige echo's die in de liftschacht resoneren die hem weer doen denken aan de onbegrijpelijke echo's en beelden uit zijn traumatische verleden. Maar tegelijk is die lift voor hem ook zowel een kist als een moeder: een afgesloten resonantieruimte die doet denken aan geboorte en aan dood. Twee motieven die zich in deze roman meer en meer verknopen, ondanks hun schijnbare tegenstelling: geboren worden is het begin van verval en sterfte, voor Baloe, en door de ellende van zijn latere leven kan Baloe de baarmoeder waarin hij ooit verbleef niet anders zien dan een spelonk vol stront en dood. Wat mogelijk te maken heeft met de liefdeloze kilheid van zijn moeder. die hem wegdeed op een katholieke kostschool, waar hij vervolgens nog bruut werd mishandeld ook. En in elk geval goed werd volgepompt met zondebesef, wroeging, haat tegen het leven en haat tegen zichzelf.
Baloe herbeleeft die traumatische jeugd - en ook diverse andere traumatiserende ervaringen- in fragmentarische, soms nauwelijks door hemzelf begrepen "anderwereldse" echo's en beelden. Die door hun intensiteit net zo indringend en dubbelzinnig zijn als zijn latere obsessies. Daardoor krijgen ze nooit het karakter van een al te makkelijke en al te sluitende psychologische verklaring van Baloes denken en gedrag. Dat maakt Baloes intense walging en zijn existentiële haat naar mijn gevoel extra indringend. Want zijn beklemming biedt geen enkele opening: geen enkel perspectief op dat het in het verleden ook anders had kunnen lopen, geen enkel perspectief op een verlossing. Althans, niet op een ondubbelzinnige verlossing. Ja, de naam "Aurora" betekent niet voor niets dageraad, en haar kamer bevat een prachtig tafereel dat een symbolische verlossing lijkt te beloven: "Boven het hoofdeinde van haar bed, zei ze, hagen naast elkaar en boven elkaar, waaiervormig, rijen gekleurde foto's en ansichtkaarten van zonnetaferelen boven zee, tientallen en tientallen van het hoofdkussen tot aan het plafond, uitgespreid als een gouden pauwenstaart, - het zijn zonsopgangen, terwijl de waaiervorm waarin ze tegen de muur geprikt zijn opnieuw een zonsopgang suggereert, zei ze". Maar alleen al dat herhaalde "zei ze" laat iets van twijfel doorschemeren. Tevens staan er diverse passages tegenover waarin wordt geïmpliceerd dat zonnetaferelen boven zee ook zonsondergangen zouden kunnen zijn, of waarin het verschil tussen zonsondergang en zonsopgang op zijn minst onbeslisbaar wordt. Passages die naar mijn idee ook extra pregnantie krijgen door de echo's van andere passages, waarin dood en geboorte vermengd raken. Zoals: "Kunt u mij ook zeggen, schimgezichten die om mij heen zijn, of ik, als ik door deze poort ga, sterf of word geboren? Die vloeibaarheid, waarvan ik zelf een deel ben, is dat baarwater of verandert mijn lichaam in lijkblubber?". In diverse, uiteraard obsessief en fugatisch herhaalde en variërende passages fantaseert Baloe bovendien dat hij met een auto vanaf een klif in zee stort: in die fantasie is de verlossende dood bijna een wedergeboorte. Of, beter gezegd misschien, een vergelijkbaar verlangen naar het Niets: in het baarwater voor de geboorte is hij nog geen bewust bestaand wezen, en als lijkblubber is hij dat niet meer. Ook mijmert hij geregeld over hoe Aurora hem in de diepzee zou begroeten, als een soort magische heerseres van Atlantis. Maar de vloeibaarheid van de zee, op zich een bekend oermoedersymbool, connoteert dan tegelijk vaak ook de dood: bijvoorbeeld door alle autowrakken die in de onderzeese diepten liggen, en alle lijken die opgegeten worden door de vissen, maar ook omdat we weten dat Baloe zichzelf vloeibaar acht en dat met baarwater én lijkblubber associeert.
Met die motieven in het achterhoofd wordt de volgende, toch al indringende passage over Aurora nog extra indringend: "Ach waterwijfje. Hoe je ogen blauw zijn. Zulk blauw zou de kleur van rouw moeten zijn. Een doodsgewaad van zulk blauw. En je lippen zacht karmijn zijn. Lelies en aronskelken van zulk karmijn. Daar komen vanzelf de vliegen die louter van goud zijn op af. En o, je oortjes. En je haar van zieltogend zou ik zeggen, zieltogend pomerans, bitter haar. En dan onder de grond. Men wordt er opgepeuzeld door diamanten kniptorren, diamanten knaagkevers, diamanten maden. Men verandert zachtjes in vloeibaarheid. Je bent er mooi, maar ik ben zo moe, ik ben het zo moe opeens". Het "blauw" van Aurora's ogen dat rijmt met "rouw", wat dan uitmondt in het vreemde beeld van blauwe rouwkledij. De associatie van "waterwijfje" naar "blauw", wat dan weer resoneert in die vreemd- poëtische zin dat alles zachtjes in vloeibaarheid verandert...... Hoe prachtig. En hoe dubbelzinnig ook, want duidt die vloeibaarheid dan op baarwater of op lijkblubber? Opvallend is ook hoe in een zin met vreemde cadans "mooi" verandert in "moe". Te meer omdat dit laatste volgens mij associatief aan Baloes moeder herinnert: in diverse eerdere en latere passages die direct of indirect-associatief over zijn moeder gaan, zegt hij immers hatelijk, walgend, wanhopig of mijmerend "moemoemoe" . En dan al die rijmen en klankassociaties: "karmijn" en "zijn" (een rijm dat door de inversie extra nadruk krijgt), de alliteratie van "kniptorren" en "knaagkevers" en de lange "a" van "knaagkevers" en "maden"... Een passage met een hoge mate van klankdichtheid kortom, iets wat je normaal alleen ziet in poëzie. Een passage die bovendien nog extra dichtheid krijgt door motieven die erin resoneren: Baloes dubbelzinnige gedachten over het vloeibare, over zijn moeder, over Aurora als heerseres over het onderzees Atlantis dat zowel wedergeboorte connoteert als ook verval en dood...
En zo zijn er nog veel meer poëtische passages waarin allerlei motieven en obsessies meezingen en rondzinderen. Ook motieven, obsessies en fugatische patronen waar ik nu met geen woord over gerept heb. In "Zonsopgangen boven zee" toont Brouwers kortom pure taaltovenarij. En precies daardoor zuigt hij mij een wereld van onbevattelijk- troebele obsessies binnen die mij enorm fascineert, en die ook lang zal nazingen in mijn hoofd. Nee, ik roep nu niet meteen met Verduin mee dat Brouwers nog genialer is dan mijn held Nabokov. Maar ik vond deze vrij vroege Brouwers wel zeldzaam overdonderend. En ik sluit niet uit dat dit voor mij het begin is van een vrij stevige Brouwers- verslaving.
Ze doen hier niet aan halve sterretjes, anders zou ik zo na de komma wat van de perfecte score afnijpen, maar ach, het is Brouwers, die man is recent overleden en hoewel dit dus niet tot zijn bekendste werk hoort, is ook dit weer een verbazingwekkend, vaak ook weerzinwekkend, visceraal, schuimbekkend, opsommend, synonimiserend, hoogstpersoonlijk, brutaal, onnavolgbaar werkstuk waarin een aantal draden die ook in de rest van zijn oeuvre zitten weerkeren, al blijf Brouwers in deze lyrische roman manisch-obsessief op dezelfde (draad)nagel hameren als in een waanzinnige koortsdroom van maniakale liefde, versmachtende bevliegingen en door alcohol voortgestuwde haat-liefde-haatbetuigingen naar Aurora, waarmee hij gedurende het hele verhaal vastzit in een lift, maar dat doet er eigenlijk niet toe, want de in reële tijd slechts enkele durende plot wordt gelardeerd met een maalstroom van heb ik je daar.
Bijzonder en bijzonder interessant werk van één van de beste schrijvers uit de lage landen van na de kruistochten.
Het uitgangspunt van “Zonsopgangen boven zee”, verschenen in 1977, is zo veelbelovend: een man en een vrouw die elkaar nog niet zo goed kennen, komen vast te zitten met een lift. Jeroen Brouwers (1940-2022) verschaft zich hiermee de mogelijkheid een intrigerende roman te schrijven. Hij helpt de desbetreffende kans evenwel ��stijlvol’ om zeep, volgens een recept dat hij in de loop van zijn carrière als auteur vaker zou toepassen. Tot de werkzame ingrediënten hiervan behoren onder meer hoogdravendheid, gekunsteldheid, een vreselijke overdaad aan symboliek, gewichtigdoenerij en een eindeloze repetitie van zinsneden waarover hij zelf blijkbaar erg tevreden is. Het resultaat behelst niet veel meer dan pretentieuze wartaal.
dartel, knap gemaakte stream of concious, onuitputtelijk, van een dag en aanloop daarnaartoe. vele stijlmiddelen, beschreven met alle zintuigen: opsommingen, tegenstellingen, synesthesie, personificaties, herhaling in variatie, metaforen, motieven. De scenes in lift chronologisch, steeds onregelmatiger onderbroken door herinneringen. een motief, het hek v/d lift, erachter opgesloten als in het tehuis, ook met stropdas. niet vrouwvriendelijk, maar ook niet manvriendelijk, hij beschouwt zichzelf ook niet perse als goede mens. - hoe lyrisch en creatief ook, de taal weegt niet genoeg op tegen de inhoud verzwabbering á deux, een mannenboek? drie ***
Moeilijk hiervoor sterren te geven. Drie of vier. Het zeer goed geschreven, maar niet fijn om te lezen. De hoofdpersoon zit vol zelfhaat, schaamte, wroeging. Hij verlangt naar vergeving door en liefde van vrouwen die hij tegelijkertijd lief heeft en haat. Het is lyrisch, maar zwart, vol beelden van dood en verval. Het plot is simpel maar effectief. Stel zit vast in lift. Hoe langer het duurt, hoe meer het verval intreedt. Herinneringen mengen zich door de steeds grotere benauwdheid, angst en vuil in de lift.