De waarde die dit boek voor mij heeft is bijna niet in woorden uit te drukken, maar ik heb niets anders, dus ik ga het toch proberen.
Er is een Martijn vóór het lezen van Karakter en een Martijn na het lezen van Karakter (in 2021 voor het eerst). De Martijn voor het lezen van Karakter merkte dat hij anders was dan zijn doorsnee klasgenoten/studiegenoten en nam dat zichzelf kwalijk. Wáárom heb ik nou weer een andere mening, wáárom ben ik weer zoveel conservatiever, wáárom heb ik zo'n rare familie, wáárom voel ik me ongemakkelijk in restaurants, wáárom kan ik niet gewoon liegen over mijn mening wanneer dat sociaal wenselijk is, wáárom reageer ik emotioneel, wáárom kan ik niet ontspannen, wáárom heb ik nou weer voor de havo gekozen terwijl veel minder snuggere klasgenoten wel naar het vwo gaan, wáárom voelt iedere vorm van hulp als een persoonlijk verlies, wáárom...
En toen las ik Karakter en maakte ik kennis met het personage Jacob Willem Katadreuffe dat precies op mij leek. En plots besefte ik dat al die dingen die ik mijzelf kwalijk nam, voornamelijk toe te schrijven waren aan mijn klasse-achtergrond. Het zijn de dingen waar sociale stijgers tegenaan lopen en ik had me nooit werkelijk beseft dat ik niet uit de klasse kom waarin ik me nu dagelijks begaf. Karakter heeft me zo'n rust en zelfacceptatie gegeven! Ik gun iedere sociale stijger de kans om dit boek zo vroeg mogelijk te lezen.
Hij moest nog veel leeren. (p.75)
Katadreuffe begreep toen dat men terecht sprak van de grauwe massa, dat het individueele eerst waarlijk begon bij de bevoorrechte standen. Hun was gelegenheid gegeven tot uitgroeien, en zij groeiden allen in een eigen richting. Hij zag de formidabele beteekenis in van veel weten. Veel weten was enorm uitgroeien, was duizenden facetten vertoonen. Katadreuffe was zelf nog een karakter in wording, hij onderging een laten groei naar de volwassenheid. Hij had eenige opvallende hoedanigheden en gaven, maar een compleet karakter was hij nog bij lange na niet. Zonder dat hij het besefte was hij minder persoonlijkheid dan Jan Maan, maar hij beloofde meer. Een kind uit het volk, maar met mogelijkheden, veel kennis, maar ordeloos gestuwd, al te bont en dikwijls te zeer belegen. Een mengelmoes dat met ijzeren consequentie zich wilde groepeeren tot een geheel. (p.89)
Hij moest nog veel leeren. (p.128)
Ik moet nog veel leeren, zoo enorm veel leeren, dacht hij. (p.151)
De jongen nam op, anders niet, wel is waar prachtig, gelijk een nieuwe spons, maar er ging nog niets van uit, geen schittering. Misschien later. (p. 257)
Katadreuffe die niet kon dansen zei tot zichzelf: dat moet ik leeren, God, ik moet nog zooveel leeren. (p.300)
Ik moet alles nog wòrden, ik sta pas aan het begin. (p.314)
Op dat oogenblik rolden met een verbijsterende snelheid en duidelijkheid beelden aan. Daar ging het, al wat hij nog weten moest, hij moest het leeren grijpen en vasthouden, het programma van zijn leven. Hij zag nooit duidelijker dan nu den ontzaglijken afstand van man tot heer, van volk tot élite, maar vooral van man tot heer. Want de gave tot aanpassen is bij de vrouw grooter, en daarnaast stelt de maatschappij aan haar minder zware eischen. Maar voor den man is het de moeilijkste opgave in zijn leven om heer te worden, niet te schijnen, te wòrden. Hij moest kunnen meespreken over alles, niet met de boekengeleerdheid van een lexicon, maar scherenderwijs. Hij moest een vlotte conversatie kunnen ontwikkelen onder mannen, en, op een andere wijze weer, bij vrouwen, zijn litteratuur kennen, vreemde talen spreken met het juiste accent, hún litteraturen kennen, – hij moest op de hoogte zijn van plastische kunsten, van muziek, – hij moest vlot leeren reizen in vreemde landen, hij moest kunnen vertellen van steden, landschappen, volkeren, gebruiken en eigen ondervindingen, – hij moest geestig kunnen zijn, en vooral wellevend, gekleed zonder overdrijving steeds in de juiste stukken van den juisten snit, – hij moest kunnen spreken over sport en over politiek, de binnenlandsche en de buitenlandsche, over de conjunctuur, de beurs, over opera en tooneel en film, – hij moest kunnen kaarten, kunnen dansen, kunnen praten over goed logies, goed eten en vooral goeden wijn, – hij moest kunnen lunchen zooals hij het de zakenmannen had zien doen in het restaurant, met de geslotenheid van een bolwerk, het stond hem tegen, maar het moest. En er moest nog zoo ontzaglijk veel meer gebeuren. All-round man moest hij worden, in het groote en het nietige, maar op zichzelf staand, trouwen zou hij nimmer. En het lexicon zou hem goed bezien toch in heel veel kunnen helpen. En als hij die hoogte had bereikt stond hij in eigen oogen nog laag, dan was hij niets dan een heer onder heeren, een wiens kleur in de kleuren der élite verloren ging. Maar hij wilde de aandacht vestigen op een eigen kleur, men moest kunnen zeggen: ‘kijk dat daar, kijk die daar’. (p.322-323)