Heerlijk, Dostojevski voelt als thuiskomen. Zijn jonge jaren tussen 1846-1848, waarbij de brille al wel doorschemert, maar niet altijd even goed naar voren komt. Dit is de periode voordat Dostojevski gearresteerd zou worden en verbannen naar Siberië (1849).
Dit eerste deel van zijn verzameld werk is wisselvallig van niveau, met als uitschieters de twee langere romans. Als gehele bundel een ruime drieënhalve ster, waarbij met name De Dubbelganger onmisbaar is en een vroege klassieker in z’n oeuvre. Overigens prachtige, zeer goed leesbare nieuwe vertalingen van Arthur Langeveld en Madeleine Mes.
Dostojevski’s debuutroman in briefvorm: Arme Mensen (1846). Geschreven in de tijd dat hij kampte met een gokverslaving. Heel aardig verhaal waarin de eerste contouren te zien zijn van zijn enorme talent.
Makar Devoesjkin is een onnozele, opportunistische romanticus die zijn centen bij elkaar schraapt als een arme ambtenaar. Varvara Dobroselova is een pittige, pientere dame die hem het vuur na aan de schenen legt, maar hem oprecht liefheeft. Hun onmogelijke liefde via dagelijkse brieven gaat in een golfbeweging. Net als het geluk aan hun zijde lijkt te staan, wordt Makars muze voor hem weggekaapt door een heer op stand.
Makars onnavolgbare voorkeur voor flutromannetjes is overigens geweldig beschreven, evenals het subtiele beschimpen hiervan door zijn penvriendin. Een roman met de nodige satire, maar bovenal een sociaal bewogen verhaal, waarbij de twee hoofdpersonen heel menselijk worden geportretteerd.
***1/2
De tweede langere roman De Dubbelganger (1846) is een voltreffer en een blauwdruk voor de vele latere geweldige romans.
“Al met al kun je zeggen dat de gebeurtenissen van de dag tevoren de heer Goldjadkin tot in het diepst van zijn wezen hadden geschokt. Onze held had een buitengewoon slechte nachtrust, dat wil zeggen hij kon geen vijf minuten achter elkaar de slaap vatten: alsof een kwajongen fijngehakt varkenshaar in zijn bed had gestrooid.”
Een klassiek personage en vintage Dostojevski: Jakov Petrovitsj Goljadkin. Titulairraad, negenderangs ambtenaar. Buitenbeen, een man die los van de samenleving staat. Onzeker, schichtig en sociaal onbeholpen, waardoor hij bijvoorbeeld in een geweldige scène als ongewenste gast op een feest belandt en wordt afgeserveerd. Hij dwaalt steeds meer af, voert discussies en heeft briefwisselingen met zijn virtuele dubbelganger. Dit jongere equivalent van hemzelf maakt hem het leven moeilijk en troeft hem als betere versie van Goljadkin zelf af en trapt hem de grond in. Onherroepelijk takelt onze held af om uiteindelijk in een koets naar een inrichting te worden afgevoerd. Macaber, verwoestend en beklemmend.
****1/2
Roman in Negen Brieven (1847): briefwisseling waarbij de haat en nijd over een geleend bedrag steeds verder oploopt.
***
Mijnheer Prochartsjin (1846) is een bij vlagen geestige novelle over een zonderlinge huurder die zich op slinkse wijze bij zijn huisgenoten voordoet als armoedzaaier. Eindigt in een chaotisch geheel. Miskleun wat mij betreft.
**1/2
De Hospita (1847) is een verhaal over een lugubere driehoeksverhouding dat qua stijl alle kanten op gaat, maar Dostojevski’s gebruikelijke scherpte mist.
**1/2
Polzoenkov (1848) is een geestig verhaal over een ambtenaar die de boel oplicht, maar zijn hand overspeelt.
***
Een zwakke ziel (1848) is een intrigerende kortere novelle over wederom een ambtenaar die doordraait vanwege een naderend huwelijk. Blijft iets te veel aan de oppervlakte.
***
De Eerlijke Dief (***), Een kerstfeest en een huwelijk (***1/2) en Iemand anders z’n vrouw en de man onder het bed (**) zijn ten slotte drie kortere novellen van wisselend niveau, waarbij met name de laatste opvalt als een mislukte, absurdistische klucht. Veruit het minste van wat ik tot nog toe van Dostojevski heb gelezen.