Midden in de stad werkt Johannes al jaren met daklozen en verslaafden. Op het terrein van de opvang is hij een tuin begonnen, heimelijk terugverlangend naar de weilanden van zijn jeugd. Vanuit haar appartement aan de overkant kijkt Landa met haar baby op de arm naar het rommelige complex. Ze droomt van een parkje met schommels en wil dat de opvang verdwijnt. Als ze geen gehoor vindt bij haar omgeving smeedt ze een gewaagd plan.
Een mooi geschreven verhaal dat wat mij betreft diepgang mist. Een prima boek voor tussendoor maar ik had er meer van verwacht. Een uitgebreide recensie volgt.
Sanneke van Hassel brengt ons in haar roman ‘Stille grond’ een rake schets van een confrontatie tussen een jong gezin, waarvan moeder Landa zeer bezorgd is voor het welzijn van haar dochter, en de naburige opvang van daklozen en verslaafden. Landa bedenkt manieren om zich teweer te stellen tegen de potentiële overlast van cliënten die gebruikmaken van deze hulpverlening. Zij zoekt, ietwat schoorvoetend, aansluiting bij een rechtsgetinte politieke partij. Ook bedenkt zij een gewaagd idee om uitvoering van haar standpunt te forceren. Haar ideaalbeeld is een groene oase om op uit te kijken en om daarin in alle rust te genieten. Van de kant van de opvangleiding wordt veel moeite geïnvesteerd in het zich nuttig laten maken van haar ‘bezoekers’, ook in de vorm van onderhoud aan een moestuin. De lezer merkt dat Landa zich nogal oogkleppig met haar strevingen bezighoudt. Een ander voorbeeld daarvan is dat enkele contacten met mensen die opgevangen worden, juist buitengewoon vriendelijk van aard zijn. Tot het einde van de roman blijft het schuren, blijven de – vooral ogenschijnlijk – verschillende partijen niet voldoende tot elkaar komen. Opvallend is de indirectheid van de uitwisseling van standpunten. Dat is een gegeven dat zich alom voordoet in maatschappelijk/ bestuurlijk Nederland – wellicht ook in andere samenlevingen. En ja, er zijn ook scenes, waarin verslaafden luidruchtig en kernachtig uiting geven aan hun gevoel. Voor mijn gevoel geeft de auteur die ‘partij’ een stem die niet blijft hangen in stereotypering, maar blijkt een goed besef van hoe de gemeente met hen omspringt. Johannes, die de opvanginstantie vertegenwoordigt, doet er alles aan om zijn bezoekers te doen inzien dat hun gedragingen, in hun eigen belang, niet overlastgevend moeten overkomen. Maar bepaalde gezichtspunten en vooroordelen zijn hardnekkig. Het in opdracht van de gemeente zo veel mogelijk meetbaar maken van de opvangprestaties is een opgave die in dat sociale werkveld leidt tot gegevens die, hoewel uiterst gekwantificeerd, toch nauwelijks een betrouwbaar totaalbeeld vermogen te geven van wat Johannes c.s. met hun inzet weet te bereiken. Het vervolg van de ontstane situatie na de periode die de roman behandelt, zou best eens zó kunnen zijn dat de bewoners van het appartementencomplex, onder wie Landa dus, uiteindelijk een veel stedelijker toekomstig uitzicht te wachten staat. Wat betreft de structuur volgt Van Hassel een geëigend procedé van korte hoofdstukken, waarin afwisselend vooral Landa en vooral Johannes aan het woord zijn. Omdat de belangen nogal tegengesteld zijn, werkt dat goed. JM
Om en om krijgen Johannes en Landa het woord in de roman. Ze komen echter nauwelijks met elkaar in contact. En hoewel ze tegenstrijdige belangen hebben, hebben ze veel meer gemeen dan ze ooit zullen beseffen. Beiden hadden een liefdeloze jeugd met een tekort aan aandacht. Beiden hunkeren naar een zinvol bestaan, een ideaal om voor te vechten. Johannes begint uitgeblust te raken, Landa voelt zich overbodig en niet gezien. Dat stille stukje grond daar beneden aan de flat wordt de inzet van een conflict, door Landa in gang gezet. In een parkje zal ze andere moeders spreken, kunnen buurtfeesten gehouden worden, zal ze eindelijk contacten opdoen. De buren in de flat, die nu nog zo afstandelijk zijn, zullen haar dankbaar zijn. Elk wissewasje grijpt ze aan om Smallenburg en haar bewoners in diskrediet te brengen. Op vergaderingen probeert Johannes zich te verdedigen. Het gaat haar niet snel genoeg. Ze besluit een rechts-populistische partij in te schakelen en gaat uiteindelijk over tot een wel erg riskante actie. Ook op Johannes begint de eenzaamheid te drukken. Hij koos het vak om mensen te redden, op het goede spoor te zetten, dat lukt nog nauwelijks. Maar dan verschijnt er ineens iemand bij de opvang die hem uit zijn moedeloosheid haalt. Ook zijn daden worden riskant. Komt er een winnaar uit deze symbolische strijd? Niet echt, er zijn wel veel slachtoffers. Het leven van Landa of Johannes is er niet wezenlijk door veranderd. Een oprisping in beider bestaan, meer zal het uiteindelijk niet blijken te zijn. Mijn hele recensie lezen? Kijk hier: https://mijnboekenkast.blogspot.nl/20...
Johannes werkt al jaren met daklozen en verslaafden en Landa leeft een troosteloos bestaan met haar vriend en dochtertje Cato. Toch willen ze beiden zinvol zijn in deze samenleving, elk op hun eigen manier. Johannes voelt zich steeds eenzamer en Landa voelt zich overbodig en niet gezien.
Het stukje stille grond Smallenburg aan de overkant van Landa’s huis wordt ingezet als conflict. Elke negatieve gebeurtenis grijpt ze aan om Smallenburg tegen te werken en uit de weg te ruimen. Ze wil een parkje, waar haar kind kan spelen met andere kinderen en waardoor de wijk gaat leven. Het gaat haar niet snel genoeg en besluit een rechts-populistische partij in te schakelen. Haar vriend is er niet altijd en ze stort zich daarbij op een viezige politicus die haar mening deelt. Uiteindelijk gaat ze over tot een gewaagde actie.
Johannes wil mensen redden als maatschappelijk werker, maar vraagt zich het nut van het werk af als de opvang weer moet verhuizen en wordt tegengewerkt. Dan verschijnt er iemand bij de opvang waardoor hij minder moedeloos wordt. Ook hij gaat over tot een gewaagde actie.
Met een dubbel gevoel sloeg ik dit boek dicht. Ik vind het knap dat het verhaal draait om één stukje grond in Rotterdam en dat het redelijk vlot leest, maar het verhaal is wat mij betreft niet goed uitgewerkt waardoor ik het niet met veel plezier heb gelezen. Het bleef aan de oppervlakte waardoor ik geen band kreeg met personages, zelfs niet een klein beetje. Sommige dingen gingen ook ineens heel snel: Landa vertoont kenmerken van een postnatale depressie, durft haar dochter geen minuut alleen te laten, naar buiten gaan met haar kind in de wandelwagen is veel gedoe, maar wanneer haar vriend ineens een (nogal nonchalante) oppas regelt gaat ze hele dagen weg.
Beiden gaan over tot een gewaagde actie, maar het blijft aan het oppervlakte zweven. Het komt niet binnen waardoor het weinig invloed had op het verhaal. Gelukkig koos Van Hassel er niet voor om de vunzige politicus en Landa nader tot elkaar te komen, dat had in dit verhaal misstaan. De twee hoofdpersonages, die letterlijk en figuurlijk tegenover elkaar staan, ontmoeten elkaar niet en ik denk dat dat bewust is. Een grote stad in ontwikkeling waar iedereen individu is en probeert zijn eigen hachje te redden. Ik weet niet of het verhaal beter was geweest als de personages elkaar wel hadden ontmoet.
Kortom: knap dat het verhaal gebaseerd is op één stukje grond, maar het verhaal zelf gaat te snel en blijft te oppervlakkig waardoor ik mij niet kon inleven in de hoofdpersonages.
‘Haar uitzicht: een stroom verkeer en torenflats. Iets naar links steekt een betonnen kantoortoren de lucht in. Rijen vierkante ramen met donker spiegelglas. Meer dan tien jaar geleden heeft Shell het gebouw verlaten, vertelde de makelaar. Er zou van alles mee gebeuren. Tot op heden staat de toren leeg. Het blubberige veld recht tegenover Domus kreeg wel een bestemming. Een goedkoop bouwsel herbergt daklozenopvang Smallenburg, met ernaast een soort rommelige volkstuin.’ (p. 9)
Dat is het uitzicht van jonge moeder Landa vanuit haar flat. Zij leidt een troosteloos bestaan met haar baby Cato. Naar buiten gaan is een gedoe: de baby moet gevoed zijn, haar luier verschoond, een ingewikkeld vehikel van een kinderwagen in elkaar gezet, de luiertas gevuld met de juiste artikelen; dan moet er de lift genomen worden met die enorme kinderwagen. En eenmaal buiten slaat de agorafobie genadeloos toe.
De andere hoofdpersoon is Johannes, de goeiige begeleider van de dakloze junks; hij probeert hen over te halen wat werk te doen waarmee zij een zakcentje kunnen verdienen. Het lot staat niet aan zijn kant.
‘Johannes trekt zijn gereedschap over het pad van platgestampte aarde. De zon valt in lange banen op de kale bedden. Begin april is het en koud nog, alleen de spitse blaadjes van de spinazie hebben zich door de klei weten te boren. Achter in de tuin pakt hij een schoffel en maakt de grond los. Zijn gezicht prikt in de wind. ‘s Ochtends komen er nooit veel bezoekers in de tuin.’ (p. 15) Dat is het moedeloze bestaan van Johannes. Een vriendin heeft hij niet; hij wordt verliefd op een brutale junkiemeid, die hem te kakken zet. ‘s Avonds luistert hij naar Bach en hij zingt.
Johannes en Landa hebben tegengestelde belangen. Zij wil die junkiekliek weg en vreest voor haar kind de slechte invloed van die criminelen. Eén van hen heeft haar ooit schrik aangejaagd. Johannes wil zijn hachje redden, en natuurlijk dat van zijn cliënten. Maar hij speelt niet het spel van de mensen die invloed hebben in de stad.
Landa probeert via een politicus van een prominente volkspartij haar gelijk te krijgen. Omdat haar man wat afwezig is en haar arbeidscontract door haar zwangerschap niet verlengd is, stort zij zich op deze viezige en vunzige politicus. Na de ganse dag in haar housepak vertoefd te hebben trekt zij ‘s avonds voor een vergadering van die volkspartij een kekke rode jurk aan en wankelt op haar pumps naar buiten. Haar baby laat zij achter bij een te aantrekkelijke en te nonchalante puber.
Niet is het zo dat deze beiden elkaar vinden; in tegendeel, zij blijven tegenover elkaar staan zonder elkaar werkelijk te ontmoeten. Dat doet Van Hassel bewust, naar ik aanneem, om aan te tonen hoe weinig mensen elkaar in een grote stad in ontwikkeling kunnen ontmoeten. De grote stad met zijn enorme gebouwen en zijn enorme bevolkingsproblematiek verhoedt vrede en in de mensen een welbehagen.
‘De lucht is grijs met goudkleurige rafels. Als uit het niets is daar een gespikkelde wolk, hoog boven hem [=Johannes, rdv], z’n schaduw op de grond werpend. Een spreeuwenwolk. Hij beweegt, de vogels gaan enkele meters uiteen, als kauwgom dat wordt uitgerekt. Honderden, nee, duizenden vogels zweven over de toppen van de populieren en voegen zich boven het spoor weer samen tot een bal. Dan duiken ze met z’n allen naar rechts en blijven een paar seconden boven het landje hangen. Alleen het geruis van hun vleugels.’ (p. 220, einde boek).
Personages Landa en Johannes staan niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk tegenover elkaar: zij is vrouw, jong, vol ambitie, maar met een post-natale depressie (al hoor ik dat begrip niet zo vaak meer, rdv); hij is man, ouder, gedesillusioneerd, en misschien lijdend aan een gewone depressie. Zij heeft duidelijk de toekomst, maar weet in haar frustratie niet goed de juiste weg te kiezen. Omdat haar man weinig interesse heeft, of misschien niet helemaal de goede interesse wat Landa betreft, stort zij zich buiten de deur op een tamelijk machtige politicus van de foute soort. Johannes stort zich op een meisje van een andere foute soort: een junkiehoertje (ik ben er niet helemaal zeker van dat ze inderdaad een hoertje is, maar het zou zo maar kunnen...).
De romanticus in mij had natuurlijk graag een toenaderingspoging gezien tussen Landa en de sullige activiteitenbegeleider. Het is maar goed dat Van Hassel daar niet voor gekozen heeft. Maar zo’n vieze gladakker van een vuig soort politicus, en dan in je sexy rode jurk naar een vergadering.... nee, dat kan écht niet. Maar zo heeft Van Hassel het wel bedoeld natuurlijk. Alleen... ik geloof het niet. En die Johannes, die met zijn enorme werkervaring in de wereld op zo’n te magere junk valt, nee...dat geloof ik ook niet.
Het verhaal Het verhaal gaat ook veel te snel. Ik krijg als lezer nauwelijks de kans me in te stellen op de levens van de hoofdpersonen, te vertoeven in hun wereld en in hun hart en hoofd. En hoepla, er gebeurt van alles meteen. Wat een verschil met het boek dat ik momenteel aan het lezen ben De boeken der kleine zielen van Couperus, daarin gebeurt nauwelijks wat. Het is geen eerlijke vergelijking, maar wel eentje uit mijn leespraktijk.
Waardering Van Hassel kan zeer mooie zinnen schrijven, met name die gaan over de verstilling en de eenzaamheid in de moderne grote stad. Personages en verhaal vind ik een beetje onuitgewerkt.
3/5
Over de auteur
Tien jaar lang werkte Sanneke van Hassel (1971) bij toneelgezelschap 't Barre Land voordat ze in 2005 debuteerde met IJsregen. Deze verhalenbundel werd geprezen om de licht absurdistische sfeer, de poëtische stijl en de aandacht voor details. Het boek werd genomineerd voor de Vrouw en Kultuur debuut prijs 2005 en voor de Selexyz debutantenprijs 2006. Sanneke van Hassel studeerde Theaterwetenschap en Cultuurgeschiedenis in Utrecht. Van Hassel levert regelmatig bijdragen aan literaire tijdschriften en bloemlezingen. Begin juni 2007 verscheen haar tweede verhalenbundel, Witte veder, die opnieuw een groot succes werd en waarvoor de schrijfster de BNG Literatuurprijs kreeg. In 2010 verscheen haar eerste roman: Nest. In 2012 verscheen haar nieuwe verhalenbundel Ezels, gevolgd door Hier blijf ik in 2014, een dynamisch portret in verhalen van de grote stad, een bijzondere samenwerking met de foto-expositie De kracht van Rotterdam. Collega-auteur Jan van Mersbergen bracht in 2015 een bloemlezing tot stand ter ere van haar tienjarig schrijverschap onder de titel De ochtenden, waarin hij de gekozen verhalen persoonlijk inleidt. In 2013 werd Van Hassel de driejaarlijkse Anna Blaman Prijs toegekend voor haar gehele oeuvre. Eind augustus 2017 verscheen haar nieuwe roman Stille grond, een actuele roman over de wil goed te doen en de angst voor het onbekende.
Auteur: Sanneke van Hassel Titel: Stille grond Uitgever: De Bezige Bij Verschijningsdatum: augustus 2017 Druk 1 ISBN10 9023454278 ISBN13 9789023454274 220 pp.
Dit boek is een pageturner, het leest vlotweg. Het speelt in Rotterdam, een stad die mij vertrouwd is. Veel van de locaties die in het boek beschreven worden, komen me bekend voor, hoofdpersoon is de jonge moeder Landa die zich verzet tegen een asielopvang vlakbij haar woning. Een andere hoofdpersoon is Johannes, vrijwilliger bij het centrum. Landa zoekt contact met een rechts populistische partij. Als hun bezwaren niet gehonoreerd worden gaat ze over tot andere actie, het spuiten van graffiti op de gevel van de flat waar ze woont. De asielbewoners worden verdacht. Er zijn geen camerabeelden en ze komt er mee weg. Haar huwelijk staat onder druk door wederzijdse ontrouw. Het boek heeft elementen van een thriller, maar er wordt geen raadsel opgelost. Er is nogal veel erotiek in het verhaal. Het is een beetje van alles wat, maar toch geen thriller. Je begrijpt de frustraties van de jonge vrouw, maar het is toch niet moedig om door graffiti te spuiten en daar niet voor uit te komen, je zin te krijgen dat de asielopvang verhuist. Zelf raakt Landa ook ontworteld. Als ex Rotterdammer vind ik het wel leuk een Rotterdams verhaal te lezen.
De jonge moeder Landa Stevens woont in een woontoren in het centrum van Rotterdam. Tegenover de woontoren is een daklozenopvang. Landa is bang en gaat, omdat ze geen gehoor krijgt bij de bewonerscommissie van haar woontoren, in zee met een populistische lokale politicus.
Beetje existentialistisch verhaal waarin de twee hoofdpersonages - bijna wanhopig - proberen iets te betekenen, een doel te hebben in het leven. Leuk dat het zich in Rotterdam afspeelt.