Werken is met meer of minder inspanning bezig zijn om iets te verrichten of te voltooien. Deze roman bestaat uit vijf gesprekken - of misschien zijn het vergaderingen - waarin werk centraal staat. Een professor, een manager op rust, een werkkracht in de culturele sector, een veelbelovende vorser en een jonge schrijver proberen hun dagen zinvol door te brengen. De arbeidsomstandigheden blijken danig veranderd in de eenentwintigste eeuw. Of we werken om te leven of leven om te werken is niet meteen duidelijk.
Christophe Van Gerrewey studeerde eerst architectuur aan de Gentse Universiteit.
Hij kon niet direct na zijn studie architectuur fulltime aan de slag als onderzoeker of criticus. In afwachting rondde hij in Leuven nog een studie literatuurwetenschappen af, die bepalend is geweest voor zijn houding ten opzichte van architectuurkritiek.
Volgens hem kent de literatuurstudie concepten die ook in de architectuurkritiek bruikbaar zijn. “Roland Barthes heeft onder andere het concept ‘dood van de auteur’ geïntroduceerd, wat betekent dat je geen rekening houdt met de intenties van de auteur van een tekst. Dit zet ik door naar de architectuur, ook al is het daar soms minder aanvaard. Ik houd in mijn kritieken niet automatisch rekening met de bedoelingen van de architect.” Hij is als FWO-aspirant aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de Universiteit Gent verbonden.
2006 tot 2008: Gastdocent aan de Karel de Grote Hogeschool in Antwerpen.
Zijn eerste architectuurkritiek publiceerde hij in De Witte Raaf in het vierde jaar van zijn studie ingenieur-architect aan de Universiteit Gent.
Sindsdien vonden zijn teksten over architectuur, literatuur, podiumkunst en beeldende kunsten vonden afzet in tijdschriften zoals DWB, De Witte Raaf, Etcetera, Ons Erfdeel, A+, OASE, NRC Handelsblad, Streven, Rekto:Verso, De Architect en Metropolis M.
Hij gaf lezingen op congressen en symposia in o.m. Parijs, Delft, Rotterdam, Porto en Nottingham,
2010: Debuteert literair in een bescheiden bibliofiele uitgave bij DRUKsel te Gent met een verhalenbundel Vijf ziekteverhalen.
2012: Publiceert een roman in briefvorm over een teloor gegane liefde Op de hoogte.
Over de literaire voorbeelden die deze roman beïnvloed hebben, wijst Van Gerrewey zowel naar Franz Kafka en diens haast neurotische Brieven aan Milena. Ook J.M.Coetzee en zijn roman IJzertijd (1990, latere titel IJzeren tijd) vormde een leiddraad. (Dirk Leyman, Christophe van Gerrewey wint Vlaamse Debuutprijs in: De Morgen 9 oktober 2013) 2013: Een tweede roman Trein met vertraging rolt van de persen.
Nog in 2013:
Start een schrijverspolemiek met Marnix Peeters over diens roman Natte dozen in de krant De Morgen. Zaterdag 24 augustus 2013: Marnix Peeters, Schrijven is helemaal niet lastig. Dinsdag 27 augustus 2013: Christophe van Gerrewey, U verdient beter dan een toogroman. Op de hoogte wint de Vlaamse debuutprijs 2014: Rond een doctoraat af met als titel ‘Architectuur, een gebruiksaanwijzing. Theorie, kritiek en geschiedenis sinds 1950 volgens Geert Bekaert’, met als promotoren Mil De Kooning en Bart Verschaffel.
Van Gerrewey is lid van de kernredactie van DW B en van het architectuurtijdschrift OASE.
BEKRONINGEN
2008: Won tegelijk de twee prijzen voor de Jonge Kunstkritiek (2008, Rotterdam) zowel in de categorie Essay en als in de categorie Recensie.
Zijn bekroonde recensie ‘Negeren is de grootste luxe’, over de kunstenaarspublicatie Sonne, Mond und Sterne van het Zwitserse kunstenaarsduo Fischli & Weiss, werd door de jury omschreven als een “prachtig helder en filosofisch geschreven stuk”. Zijn essay ‘De toekomst is die berg’ neemt de lezer dan weer mee op een fascinerende zoektocht naar ‘het nieuwe’. “De jury was dermate onder de indruk van zijn persoonlijke, intelligente en bevlogen stukken dat zij besloot hem met zowel de prijs voor het beste essay als met de prijs voor de beste recensie te belonen”, zo luidt het. 2013: Vlaamse debuutprijs voor Op de hoogte
2016: Europese Unie Literatuurprijs 2016 voor Op de hoogte
In zijn essay ‘Over de ernstige nabootsing van het alledaagse’ (opgenomen in de bundel Over alles en voor iedereen, 2015) schrijft Christophe Van Gerrewey (1982):
'Goede literatuur probeert op een talige manier weer te geven wat het betekent om in leven te zijn — hoe er door omstandigheden (en op een specifiek moment in de geschiedenis) geleefd mag worden, hoe er vanuit een maatschappelijke druk geleefd moet worden, en hoe er in ideale omstandigheden geleefd zou kunnen worden.’
Dit credo heeft Van Gerrewey in zijn nieuwe roman proberen bekrachtigen. In Werk werk werk richt hij zijn blik op het domein van de arbeid, een maatschappelijk fenomeen dat bij uitstek bepaald wordt door de omstandigheden waarin het zich voordoet. Van Gerrewey zoekt een antwoord op de vraag of wij nu leven om te werken of werken om te leven. En dat levert meer dan ‘goede literatuur’ op.
Voor deze roman mag ‘een specifiek moment in de geschiedenis’ uit het bovenstaande citaat letterlijk worden genomen. Werk werk werk bestaat namelijk uit vijf gesprekken waarin werk en werken centraal staan. Die gesprekken vinden plaats op een welbepaald moment, om precies te zijn over een periode van acht maanden, van september 2015 tot mei 2016. Met andere woorden de periode waarbinnen de aanslagen in Parijs in november 2015 en de aanslagen in Brussel in maart 2016 plaatsvonden. De gesprekken variëren ook in duur, van amper vijfentwintig minuten tot bijna drieënhalf uur. Die tijdsverschillen vertalen zich amper in de geschreven lengte van de hoofdstukken, die telkens gemiddeld tussen de dertig en vijftig pagina’s tellen. De vijf hoofdstukken krijgen elk de datum en de tijdstippen van de gesprekken als titel. Deze techniek om de werkelijkheid te compartimenteren in exacte ‘momenten’ gebruikte Van Gerrewey eveneens in zijn vorige roman Trein met vertraging.
Een naamloze, ietwat neurotische ik-verteller voert de vijf gesprekken met vier vrienden en zijn vader. De verteller heeft verdacht veel weg van Van Gerrewey zelf: beiden zijn bijvoorbeeld geboren in 1982, geven les in Zwitserland en hebben een academische carrière achter de rug aan de Universiteit Gent, de stad waar ze ook wonen. Een eerste kennismaking is met de als freelancer bijklussende professor Wolf, een goede vriend van de verteller die als vanouds maar weinig tijd heeft, ’25 minuten om precies te zijn’, want dan begint de volgende vergadering. Het tweede gesprek voert de verteller met zijn vader, een uitgerangeerde manager op rust van een in Vlaanderen gevestigd Amerikaans bedrijf.
Daarna toont een volgende verhaallijn de martelgang van Trice, een werkneemster in de culturele sector, waar de subsidieslag en de blinde ambitie van megalomane directeurs op bijna dagelijkse basis slachtoffers eisen. Het voorlaatste gesprek is een hallucinante weergave van de moordende concurrentieslag in de huidige Vlaamse academische wereld. Vriendin Frida moet vechten als een leeuwin om haar bureauruimte én haar positie te behouden. De lezer krijgt een weinig fraai beeld voorgeschoteld van de universiteit waar recent nog negen stemrondes nodig waren om een rector te benoemen. In het laatste gesprek komt de schrijver Thomas aan bod, een oud-klasgenoot van de verteller, een romancier die is blijven hangen bij zijn debuut. Ook Thomas — hoe kan het anders — heeft veel trekken van Van Gerrewey (Thomas’ overstap naar een andere uitgever bijvoorbeeld, zoals Van Gerrewey van De Bezige Bij naar Polis overstapte of het korte verhaal ‘Weg met het weekend’ waarvan Thomas net als Van Gerrewey ‘gedurende de afgelopen decennia elf verschillende versies’ heeft voltooid).
De momenten van de gesprekken zijn gekozen precies omdat de sprekers het binnen dat tijdsbestek het over werken hebben. Wat de verteller dan weer confronteert met zijn eigen leef- en werksituatie en voor hem aanleiding is tot uitweidingen en gedachtevluchten. Want net als zijn onfortuinlijke en uitgebuite gesprekspartners ontsnapt ook hij niet aan de omstandigheden. Ons werk neemt bezit van wie wij zijn, altijd en overal, wie wij ook zijn. Het zijn precies deze ‘omstandigheden’ die het ‘moment’ creëren. In die optiek spreekt het motto van Henry James, dat voorin de roman prijkt en is gekozen uit een kritisch stuk over Honoré de Balzac, boekdelen:
‘What befalls us is but another name for the way our circumstances press upon us—so that an account of what befalls us is an account of our circumstances.’
Het is niet toevallig dat de schrijver Thomas dit motto op het einde van het boek parafraseert. Hij uit zijn ongenoegen over het feit dat ‘schitterende korte verhalen’ van Henry James onvertaald zijn gebleven, ‘menselijke creaties’ waarin ‘wat de personages in deze verhalen overkomt slechts een andere naam is voor hoe de omstandigheden hen insluiten, zodat een verslag van wat hun overkomt ook een verslag is van hun omstandigheden.’
De lezer krijgt meer dan enkel maar een verslag van de omstandigheden die de personages in Werk werk werk overkomen. Veel meer. Elk gesprek mondt uiteindelijk uit in een ander onderwerp, dat direct de verteller aangaat. Er zijn heerlijke amplificatio’s over gsm’s, mailetiquette, precrastinatie (‘een hang naar efficiëntie […] een kwaal waar naar het schijnt ook duiven last van hebben’), barista’s, to-dolijstjes, efficiënt woon-werkverkeer vanuit Gent naar Zwitserland en terug, het nepotisme in de academische wereld, het postjespakken in de culturele sector en ‘het zwarte gat Europa’. In deze stukken toont Van Gerrewey zich een meester in de redundantie, de postmoderne techniek van herhaling waarbij niet strikt noodzakelijke uitweidingen méér uitleg verschaffen over een onderwerp dan nodig is voor een goed begrip ervan. Het zijn ook de plaatsen waar hij zijn kurkdroog gevoel voor humor de vrije loop kan laten (de scènes met de gescheurde broek bijvoorbeeld zijn hilarisch).
Op het einde van Werk werk werk, wanneer Thomas zijn gal spuwt, plooit de roman plotseling terug op zichzelf. Nu wordt de lezer — metaliterair — met de neus op de feiten gedrukt: de literatuurkritiek is één groot zielloos herkauwen ‘met variaties op dezelfde loftuitingen’ , de schrijver is een tot het podium gedoemde clown en het internet is eindeloos interessanter dan een navelstaarderig universum van ‘disruptieve’ romans zonder plot. Belangrijker zijn ‘anekdotes, incidenten, uitspraken, botsingen, confrontaties’. Net als in een Kuifje-album houdt een plot ‘de aandacht enkel weg van de inhoud’. De met een ongezouten mening begiftigde Thomas is niet voor niets gebaseerd op de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard, een toonbeeld van literaire recalcitrantie, eenzelvigheid en kluizenaarschap.
De huidige omslagfoto van Van Gerreweys Facebookpagina is een panoramisch beeld van een reeks boekenruggen. Stuk voor stuk boeken die hem inspireerden tijdens het schrijven van Werk werk werk. Dat gaat van Max Weber, W.G. Sebald, Peter Handke, Karl Marx en Walter Benjamin, over Herman Brusselmans, Willem Frederik Hermans en Daniël Rovers tot Rachel Cusk, David Foster Wallace en Ben Lerner. Een boek dat er voor mij uitspringt is Lerners 22:04. Zonder voorkennis van de omslagfoto moest ik tijdens de lectuur van Werk werk werk geregeld denken aan Lerners uitzonderlijke roman. Van Gerreywey hoeft niet onder te doen voor de technische beheersing en stilistische kracht van zijn Amerikaanse schrijfbroeder. Wie een dergelijk literair draagvlak tot een bijzonder knappe roman met een geheel eigen stem kan kneden, mag zich een verdomd goede schrijver noemen.
Christophe Van Gerrewey: Werk werk werk, Polis, Antwerpen 2017, 234 p. ISBN 9789463102100. Distributie: Pelckmans
“Het leven is meestal iets tussen geluk en ellende in.”
Zondag, 24 september, 11 uur. Boekhandel De Limerick is afgeladen vol voor de presentatie van ‘Werk Werk Werk’, de nieuwste roman van Christophe Van Gerrewey. Gert Brouns glundert, uitgever Harold Polis introduceert met een spitse, schijnbaar geïmproviseerde speech, Jozefien Van Beek interviewt.
Of Van Gerrewey, zoals Polis beweert, “de Vlaamse Montaigne” is zou ik niet kunnen zeggen – daarvoor zou ik eerst Montaigne moeten lezen (en de aandrang om dàt te gaan doen is klein), en allicht is de vergelijking vooral een fraaie hyperbool. Maar dat Van Gerrewey een denker is, iemand die de controverse niet schuwt en durft ingaan tegen trends en hypes, weten we al lang: zie zijn polemiek met Marnix Peeters over diens ‘Natte dozen’, zijn kritische bedenkingen bij o.a. Griet Op de Beeck en Lize Spit, enz.
Van Gerrewey (1982) is een multitalent. Hij studeerde architectuur aan de UGent, literatuurwetenschappen aan de KULeuven en doctoreerde in 2014 met een proefschrift over de architectuurcriticus Geert Bekaert. Zijn productiviteit is indrukwekkend: publicaties in vaktijdschriften, essays over kunst en literatuur in De Witte Raaf, recensies in De Standaard der Letteren, De Groene Amsterdammer, enz. Als romancier debuteerde hij In 2012 met ‘Op de hoogte’, een memorabel liefdesverhaal in briefvorm dat terecht bekroond werd met de Vlaamse Debuutprijs (2013) en de Europese Unie Literatuurprijs (2016). In 2013 volgde al een tweede roman (‘Trein met vertraging’). En in ‘Over alles en voor iedereen’ (2015) werden vijftig van zijn essays gebundeld.
Weliswaar is Van Gerrewey geen Bezige Bij meer (hij vond onderdak bij uitgeverij Polis), maar schrijven doet hij nog steeds. En hoe! Zijn nieuwste ‘Werk Werk Werk’ is er het levende bewijs van. Met de “jobs, jobs & jobs” van de Vlaamse regering heeft deze roman – gelukkig! - niets te maken, wel met het alledaagse geploeter van de (niet zo) doorsnee werknemer. In vijf “gesprekken” ontleedt Van Gerrewey, messcherp en in fraaie volzinnen, de arbeidsmarkt zoals we die vandaag kennen en ondergaan. Die gesprekken zijn soms grappig, hier en daar heerlijk over the top, maar toch altijd bijzonder herkenbaar. De tussen België en Zwitserland pendelende professor, de uitgerangeerde manager, de werkkracht in de culturele sector, de doctorandus, de schrijver: allemaal worstelen ze met de zin (en onzin) van wat ze doen, worden ze geconfronteerd met de inefficiëntie van “het systeem”, met het gekonkel en de jaloezie van collega’s, of met de incompetentie van de hiërarchie. Allemaal vragen ze zich af of ze niet de foute professionele keuzes te hebben gemaakt; het spreekwoordelijke gras lijkt altijd groener bij de buren.
Alle opgevoerde personages, inclusief de ik-figuur, zijn lichtjes uitvergroot en somberen en fulmineren er ongeremd op los. Maar ze verworden nooit tot karikaturen, ze blijven geloofwaardig. Dat gevoel van authenticiteit is te danken aan het feit dat er nogal wat autobiografische elementen zijn ingebouwd: de pendelende ik-figuur bv. werd geboren in 1982 en doceert in Zwitserland, zoals Van Gerrewey zelf; de concurrentiestrijd in het academisch milieu kent de auteur van binnenuit; en met de frustraties en “romantische bullshit” van het schrijversleven is hij uiteraard ook vertrouwd. Maar er is meer: al die “gesprekken” worden heel precies gesitueerd in de tijd en gelinkt aan markante momenten uit de recente geschiedenis (met name de aanslagen in Parijs in november 2015, de aanslagen in Brussel in maart 2016). De combinatie van die (gefragmenteerde) autobiografische elementen en historische ijkpunten werkt perfect: dit is literatuur, fictie dus, maar met een verfrissend werkelijkheidsgehalte. De beschrijving van die “alledaagsheid” is Van Gerreweys niche. “Het [leven] is meestal iets tussen geluk en ellende in”, laat hij optekenen in een dubbelinterview met Joost de Vries in De Standaard der Letteren (april 2015). En hij gaat verder: “Te weinig literatuur durft het daarover te hebben. Ik vind die alledaagsheid het boeiendste om te beschrijven in een roman, én het moeilijkste.” Met ‘Werk Werk Werk’ is Van Gerrewey in zijn opzet geslaagd, en met brio. De auteur is een uitstekend observator, redeneert helder, formuleert met schwung en vooral vlijmscherp. ‘Werk Werk Werk’ houdt ons een spiegel voor, maar die spiegel is een beetje bol: wat we zien is pijnlijk herkenbaar, maar tegelijk ook wel lachwekkend.
Als uitsmijter dit citaat (aan het woord is Thomas, de romanschrijver):
“Als je aandacht wilt krijgen omdat je een boek hebt geschreven, zal die aandacht altijd ten koste gaan van dat boek zelf, wat zeker niet betekent dat de verkoop eronder zal lijden. De voornaamste taak van een schrijver, het werk dat het meest kansen en aandacht oplevert, is niet het schrijven zelf, maar het promoten, het aanbieden, het adverteren en het in de markt zetten, eerst en vooral van jezelf, en daarna van je boek. Daar moet je talent voor hebben en het is dat waar alle energie heen moet gaan, hoewel schrijven en verkopen niets met elkaar te maken hebben, en elkaar zelfs uitsluiten.”
Werk werk werk was een boeiend en vooral bijzonder actueel boek. Het is een beetje vreemd en tegenstrijdig om een online review te schrijven na verschillende pagina's te hebben gelezen over de negatieve invloed van internet op onze huidige werkomstandigheden. Ik onderdruk deze eigenaardige, tegenstrijdige en subtiele vorm van hypocrisie in de hoop dat jullie de tastbare versie van dit boek toch zullen lezen en naar waarde schatten.
Het boek bestond uit enkele conversaties met mensen die werkzaam waren in verschillende sectoren. De personages werden blootgesteld aan problematische en haast kafkaiaanse werkomstandigheden. Door het boek te lezen werd je overvallen door een gevoel van onrust, irritatie en een totaal verlies van hoop in de samenleving met haar vele tekortkomingen.
Hoewel ik zelf pas afgestudeerd ben en weinig in aanraking ben gekomen met het uitoefenen van een - vaste - job, vond ik dit boek erg herkenbaar en door haar herkenbaarheid een beetje treurig. Het was een kritische vinger op de wonde.
Werk werk werk greep niet naar de strot - zoals Thomas ongetwijfeld zou zeggen -, maar was wel absoluut de moeite om te lezen.
Fantastisch. Het is geschreven in een sfeer en toon en tempo die aansluiten bij de inhoud en boodschap van het boek, waardoor alles in gelaagdheid bij elkaar hoort. Dat alleen al is knap werk.
Het is een scherpe analyse van de positie die werk in de levens van mensen inneemt, de oneerlijkheid die deze mensen ervaren over hoe zij zelf behandeld worden maar ook de verslagen houding die zij vervolgens zelf innemen ten opzichte van hun werkplek.
Het is echt onwijs knap hoe de vijf gesprekken in elkaar overlopen en hoe de verschillende ervaringen in werk elkaar zo aanvullen tot een herkenbaar geheel. En het is ook nog eens te gek dat je kritisch een tijdsbeeld weer kan geven, waar je zelf midden in zit.