[…] toen hij met lenige handen hout schikte, steen tegen steen sloeg en met dat simpel geweld sluipend het smeulen begon, branden ontstond
As, vuur valt uiteen in twee delen, die zich tot elkaar verhouden als communicerende vaten. Uitgangspunt voor het eerste deel zijn 'oerwoorden' die alle Euraziatische taalfamilies met elkaar verbinden. Zij vormen de humus waaruit de dichter in dit deel een persoonlijke mythologie laat opbloeien. In het tweede deel gaat het om de vraag wat reizen voor de dichter betekent en hoezeer dat de kijk op de vertrouwde omgeving en het eigen wereldbeeld beïnvloedt.
Ingevlochten, doordachte poëzie die zo nu en dan sterk tot de verbeelding spreekt. Vooral enthousiast over de laatste afdeling ‘Leeftocht’: ‘Zo’n dag / waarop je een eenling ontmoet, als hij praat / wordt zijn mond een dansend orakel, zijn handen / baltsende vogels boven de branding. Zo’n dag / waarop je kijkt naar de man met de hond / aan de riem, de uniformkinderen, de duiven die vrij / het leven tussen de tegels wegpikken en de lege / hand van de bedelaar.’
Las ‘As, vuur’ (De Arbeiderspers, 2017) van Hester Knibbe: doelloze huis-tuin-en-keuken-poëzie. Knibbe mikt op zalvige mooischrijverij en laat de inhoud voor wat hij is. De lezer blijft zitten met het ‘onnavolgbare tuimelen’ in haar hoofd en gooi-maar-in-mijn-pet-zinnen:
‘Er was // voldoende licht om te zien dat elk / dezelfde richting op liep alsof ieder / door iets of iemand verwacht werd hoewel / de omgeving verstrekkend leeg was.’
Iedereen zou 1x/jaar een poëziebundel moeten lezen, en laat het deze zijn. Lees hem (haar? het?) bij voorkeur in het diepste deel van de herfst, als de winter nog eindeloos lang voor u ligt, en de nood aan kerstvakantie groot is. Lees dan uzelf voor, in bed, bij voorkeur zeer laat 's avonds.
Ik vond het uitgangspunt interessant en daarom heb ik deze bundel ook gelezen. Maar ik begreep niet genoeg van de gedichten om ze mooi te vinden. Knibbe's eerdere bundel Het hebben van schaduw sprak me veel meer aan.