In de roman ‘De kus’ van Jan Wolkers zie je Indonesië van de buitenkant en zie je de twee belangrijkste personages van de binnenkant.
De buitenkant bestaat uit de beschrijving van de reis, de beschrijving van de groepsleden, de beschrijving van hoe de de groepsleden met de autochtone bevolking omgaat. En vooral hoe de groepsleden met elkaar omgaan, is bij uitstek ‘buitenkant’. Wat perceptie al niet doet voor je welbevinden.
De binnenkant bestaat uit de verhouding tussen de twee vrienden, van wie Bob degene is die in het toenmalig Nederlands Indië aan Nederlandse zijde heeft gevochten. Hij heeft toen trauma’s opgelopen, die tijdens de reis uiteraard tot mentale oprispingen leiden. De frustraties die Nederlandse soldaten tussen 1945 en 1950 hadden wegens het verlies van die koloniale oorlog, spiegelt zich in de fysieke aftakeling die Bob tijdens de reis – juni, juli 1970 – ondervindt.
Daarbij is zijn de formuleringen van Wolkers vaak origineel, rijk aan beelden, snel in het schetsen van de geografische omstandigheden (alsof dat verplichte nummers zijn, tussen de bedrijven door, die niettemin het grootste deel van de tekst vormen), met een in verhouding laag tempo waar hij de karakters schetst. Het is Wolkers ook gegeven om de natuur evocatief in woorden te vangen.
Mooi boek. JM