Het was weer ploeteren, maar paragraaf voor paragraaf toch door de mooie passages heengewerkt en het idee dat ik een nieuw aspect van het geloof beter heb leren kennen.
“Als iemand Christus niet kan vinden in het traditionele milieu dat de kerken bieden met hun preken, kerkdiensten en catechismussen, dan staat voor hen altijd nog deze andere mogelijkheid open: hem daar te ontmoeten waar de mensen lijden.”
“Christus komt naar ons toe en verbergt zijn wonden niet, Hij toont ze juist – en wil ons daardoor aanmoedigen om onze pantsers, maskers en onze make-up weg te doen en te kijken naar de wonden en littekens die we daaronder verbergen, voor anderen, maar vaak ook voor onszelf. Hij wil ons zo ook aanmoedigen om naar de wonden te kijken die wij anderen hebben aangedaan.”
———
“Als iemand ergens anders over denkt of spreekt dan ik, weet ik dat dit gewoon kan komen doordat hij hiernaar kijkt vanuit een ander standpunt, een ander perspectief, een andere traditie of een andere ervaring, doordat hij zich in een andere ‘taal’ uitdrukt. Ik weet ook dat het verschil tussen onze meningen en uitspraken noch mijn, noch zijn recht op de waarheid hoeft te weerleggen. Evenmin hoeft dit verschil van mening zijn of mijn eerlijkheid en oprechtheid ter discussie te stellen. Tegelijkertijd ben ik me ervan bewust dat dit besef niet moet leiden tot een gemakzuchtig en berustend relativisme (‘iedereen heeft zijn eigen waarheid’), maar eerder tot het streven om door onderling gesprek en het uitwisselen van ervaringen onze eigen, noodzakelijkerwijs beperkte horizon te verruimen en ook onszelf te leren kennen in het gesprek met de ander.
Ik ben noch de alwetende, noch de alziende – ik mag en kan daarom geen definitieve en onfeilbare oordelen vellen over anderen en hun persoonlijk geloof, omdat ik niet in hun hart kan kijken en ik ook niet hun einde en het doel van hun pelgrimage kan zien. Maar, niemand kan mij de hoop ontnemen dat ‘de God van die anderen’ uiteindelijk ‘mijn God’ is, want de God in wie ik geloof, is ook de God van degenen die de naam niet kennen die ik aan hem geef.
voor mij is er geen andere weg, geen andere deur naar hem, dan die deur die geopend wordt door een gewonde hand en een doorstoken hart. Ik kan niet ‘Mijn Heer! Mijn God!’ roepen als ik niet de wond zie die tot in zijn hart raakt. Als ‘credere’ (geloven) is afgeleid van ‘cor dare’ (je hart geven), dan moet ik belijden dat mijn hart en mijn geloof alleen die God toebehoren die zijn wonden kan tonen.
In de Bijbel vinden we zowel de opdracht om ‘de geesten’ zorgvuldig te onderzoeken (vgl. 1 Joh. 4:1), alsook de waarschuwing dat het buitengewoon lastig is het onkruid van de tarwe te onderscheiden; deze opdracht is voor ons sterfelijke mensen uiteindelijk ondoenlijk en gaat ons beoordelingsvermogen te boven (Mat. 13:29).
De kracht van het geloof zit niet in de onwrikbaarheid van je overtuiging, maar in de bekwaamheid ook de twijfels en de onduidelijkheden te verdragen, de last van het geheimenis te verdragen – en daarbij de trouw en de hoop vast te houden.
Hij is een ‘sym-pathetische’ God, dat wil zeggen, een mee-voelende, mede-lijdende, mede-gepassioneerde God.
De genezende kracht van de lijdensgeschiedenis van Christus bestaat ook daarin dat wij in haar niet slechts het beeld van de wereld en van onszelf tegenkomen, maar ook Gods schokkende manier van handelen, die in zijn Zoon afdaalt tot in de diepten van het menselijke leed, de eindigheid en de dood – zonder terughoudendheid.
Jezus is overal waar mensen gebrek lijden – juist daar vormen zij (en Hij in hen) voor ons ‘een gelegenheid’, als een geopende deur naar de Vader. Waar is Jezus echter niet? Op één plaats is Hij zeker niet aanwezig: namelijk in hen en met hen die zichzelf als rechtvaardigen, als zienden beschouwen, die anderen uitsluiten en van de woorden van Jezus een slagboom voor de poort maken. Zij bewaken die angstvallig, maar gaan er zelf niet binnen en beletten bovendien de anderen de toegang.
G.K. Chesterton raadde Christus aan als ‘God voor de atheïsten’: als atheïsten een godsdienst zouden moeten kiezen, moesten ze voor het christendom kiezen, want daarin leek God één ogenblik een atheïst.5
Het doorboren van zijn hart en het scheuren van het voorhangsel (Heb. 10:20 spreekt van het voorhangsel van het lichaam) staan symbool voor het neerhalen van zowel de muur van vijandschap tussen God en de mensen als die tussen mensen onderling. Op die weg naar een nieuw leven, naar het heilige der heiligen, zullen van nu af, over de grenzen van volken, culturen en talen heen, allen die zich dáárheen op weg begeven, waarheen de armen van de gekruisigde wijzen, samen tot dezelfde Vader kunnen gaan.
Twee gevangenen in aangrenzende cellen die door klopsignalen tegen de muur contact met elkaar hebben. De muur is wat hen scheidt, maar is ook wat hen in staat stelt contact met elkaar te hebben. Datzelfde geldt tussen ons en God. Iedere scheiding is een verbinding’, zo noteerde Simone Weil
Jezus brengt vrede, de Geest en vergeving. Hij heft zijn doorboorde handpalm op tegen de vlammen van wraak en geweld en zegt: ‘Genoeg!’
Misschien moet ‘de godsdienstige opvoeding’ – een jonge Tsjechische theologe en pedagoge duidt deze treffend aan als een ‘opvoeding tot Niet-onverschilligheid’2 – meer zijn dan slechts het leren van feiten uit de bijbelse geschiedenis, eerder een poging om de taal van deze symbolen te leren, want zonder deze taal dreigen we wanhopige, geisoleerde gevangenen te worden, vooral in tijden waarin ons leven op de proef wordt gesteld.
inscriptie op de grafsteen van C.G. Jung: ‘Vocatus atque non vocatus, Deus aderit’ – ‘Geroepen of niet geroepen, God zal er zijn’.
Onze zogenaamde zorgen zijn altijd gericht op het ‘hebben’ – en dat niet alleen van materiële dingen. Ze worden pas echt schadelijk waar het ‘hebben’ niet langer een middel is, maar een doel op zich wordt.
Als ik wil geloven – Pascal wist dit heel goed – dan zal ik mij openstellen voor de vele rationele argumenten voor het geloof; als ik niet wil geloven, zal ik mijn hele leven graag steeds weer nieuwe redenen voor mijn ongeloof tegenkomen. Dit geldt op een vergelijkbare manier voor de liefde en de hoop – en ook voor vergeving.
Bij de volmaaktheid waartoe het Oude en Nieuwe Testament ons oproept, gaat het niet om foutloosheid, maar om een mens uit een stuk zijn, om heelheid
Martin Luther schreef:
Ons leven bestaat niet uit het hebben van God, maar uit het zoeken naar hem. We moeten steeds zoeken en vragen, dat wil zeggen: steeds weer opnieuw zoeken. (…) Want niet wie begint te zoeken, maar wie volhoudt en doorzoekt ‘tot het einde, die zal gered worden’ (Mat. 10:22), door steeds weer te beginnen met zoeken en het gezochte steeds weer te doorzoeken. Wie namelijk niet vooruitgaat op de weg van God, gaat achteruit. En wie niet zoekt, verliest wat hij zoekt, want op de weg van God mag je niet stilstaan.3
Ik bid of God me de rust geeft om de dingen te accepteren die ik niet kan veranderen, de moed om dingen te veranderen die ik wel kan veranderen en de wijsheid om het een van het ander te onderscheiden.
Als je wilt vergeven, heb je al vergeven, zegt hij dan tegen hen. Daaraan voegt hij meteen toe: dat betekent niet dat de wonden die deze persoon je heeft toegebracht, vanaf dat moment geen pijn meer doen, dat je er nooit meer bittere herinneringen aan zult hebben of dat je opeens met innige en warme gevoelens voor deze persoon vervuld zult zijn. ‘Het genezen van wonden’ is altijd een langdurig proces.
Ik roep jullie dringend op tot het werk van genezing en vergeving. “Als jullie iemand zijn zonden vergeven, dan zijn ze ook vergeven; als jullie ze niet vergeven, dan blijven ze behouden.” Hebben jullie dan aan het kruis niet gezien waartoe zonden kunnen leiden die niet vergeven worden, waartoe boosheid leidt die niet genezen wordt, waartoe geweld leidt dat niet tegengehouden wordt door de kracht die de wonden op zich neemt, en deze niet meer doorgeeft?’