Het geniale en fantasierijke "De letterdodersclub" blijft voor mij Krzjizjianovski's meesterstuk, maar ook met "Het rondzwervende vreemde" - mijn vierde Krzjizjianovski in korte tijd- vermaakte ik mij weer prima. Want ook deze korte roman was weer vol van aanstekelijk- prikkelende fantasie, en vol filosofische verwondering. De vertaling, het nawoord en de annotaties van Monse Weijers bevielen mij bovendien uitstekend.
Het verhaal draait om de wonderlijke belevenissen van iemand die door het drinken van magische vloeistoffen kan veranderen in een wezen van minuscule afmetingen, en dan terechtkomt in volstrekt nieuwe en onbekende werelden. Voordat hij zich in deze avonturen onderdompelt wordt hem al gezegd: "zwerftochten veranderen uzelf, uw 'ik', in iets 'vreemds'; door de afwisseling van landen zult u vervreemden; [...] u [zult] veranderen in een wezen dat nooit terugkeert". Maar dankzij die magische vloeistoffen raakt hij verwikkeld in nog vreemdere reizen die zijn 'ik' nog radicaler transformeren, al was het maar omdat hij "afscheid neemt van de vertrouwde met azuur en groen verfraaide ruimte, van mijn ruimte". En, fundamenteler nog, van "die ruimte die je ook met gesloten ogen ziet, de ruimte die je in je draagt, bewoont en doorkruist, en die bijna samen met je lichaam onder de knopen van je jas zit". Omdat hij zelf tot minuscule afmetingen krimpt, tot een wezen dat nog kleiner is dan een vlo, krijgt alles voor hem immers andere afmetingen, en wordt ook zijn hele perspectief op "ruimtelijkheid" op zijn kop gezet.
Door zijn kleine afmetingen komt hij tevens in aanraking met levensvormen waarvan hij het bestaan nooit had vermoed, zoals kleine bosaardige huisgeesten of rode bloedlichaampjes in het binnenste van zijn rivaal in de liefde. Ook hoort hij nu voor het eerst dat je als minuscuul wezen vooral dicht op de lippen van een mens moet zitten, want iedere mens fluistert het meest geheime en essentiële zachtjes voor zich heen, onhoorbaar voor anderen en voor zichzelf. Bovendien dringt hij door tot regionen waar hij voorheen nooit kwam, bijvoorbeeld onder de nagel van een vrouw op wie hij op dat moment verliefd is, en in het binnenste van haar horloge. Wat tot aanstekelijk beschreven vormen van verliefde nabijheid leidt die hij nooit heeft ervaren. Maar ook tot nieuwe perspectieven op wat tijd eigenlijk is. Want in dat horloge blijken tijdsbacillen te zitten, die zodanig chaotisch rondzwermen dat de ik- figuur totaal niet meer geloven kan in de ordelijke tijd zoals metafysici, filosofen en horlogemakers die ooit hebben bedacht. Ook vangt hij een seconde, die het moment bevat waarin de door hem geliefde vrouw zijn naar uitsprak. En hij raakt in gesprek met een zandkorrel, die vele eeuwen terug in een heel andere wereld en vooral een heel andere conceptie van tijd leefde: niet in een "stomme en platte wijzerplaat", maar "samen met andere zandkorrels, die gezellig tegen elkaar aanschuurden". Dus: in een zandloper. Daarover weet de zandkorrel met smaak te vertellen: "In het begin bevond ik me in de bovenste kegel. Daar was het luidruchtig, vrolijk en levendig. Wij belichaamden de toekomst. Wij, momenten die zich nog niet hadden voltrokken, baanden ons, tegen elkaars vlakken aanduwend, met een vrolijk geritsel een weg naar de smalle uurmonding, die de loop van het heden aftelde". Maar die pret is helemaal voorbij als de zandkorrel samen met de andere zandkorrels naar de onderste kegel gestroomd is: "Daar liggend met mijn vlakken onbeweeglijk vastgedrukt tussen de vlakken van andere gevallen ogenblikken zag ik hoe steeds weer nieuwe lagen mij steeds dieper begroeven tussen de levende doden".
Deze korte roman neemt je als lezer helemaal mee in ongeziene, heel vernuftig bedachte en met ongeremde fantasie opgetrokken werelden. De hoofdpersoon verandert, door zo rond te reizen in zulke vreemde werelden, zelf in "het rondzwervende Vreemde". Als lezer doe je dat ook enigszins, niet alleen door de ongeziene fantasiewerelden die Krzjizjanovski ons voorschotelt, maar ook door ons te laten mijmeren over heel andere mogelijke concepten van ruimte en tijd. In die mijmeringen gaat het geregeld over het niets, de vergeefse schreeuw in een vacuüm, het lijden, de dood, de leegte: Krzjizjanovski's ongerijmde fantasie is zeker niet altijd vrolijk. Maar ik vond de zwerftochten van zijn fantasie heel aanstekelijk, dus overheerste voor mij toch de vrolijkheid.