Ik geef het gelijk toe: Klaproos heb ik gelezen omdat ik benieuwd was of ik herkenning zou vinden in dit boek. En dat vond ik, meer dan ik vermoedde.
Klaproos speelt grotendeels in Charlois, in een type woning waar mijn moeder ook ging wonen na haar scheiding (plus bonuspunten dat het eindelijk een boek is dat níet in Amsterdam of een godvergeten provinciedorp plaatsvindt - red). Van de portiekflats tot Baroeg: meer Zuid dan dit krijg je het niet.
De premisse van deze roman (die grotendeels autobiografisch is) is redelijk eenvoudig: Klaproos biedt een inkijk in het leven van een kind met verslaafde en/of disfunctionele (stief)ouders, van nul tot nu. Wat doet dat met zo'n kind, hoe ga je daarmee om, wat betekent het voor de ouder-kindrelatie, en welke effecten heeft het op dat kind?
Anne-Fleur van der Heiden doet dat op een heel knappe manier (even in het midden gelaten hoe slim die opstelling voor zichzelf is): als Noor, het kind van de rekening, beschouwt ze vooral, ze ondergaat, ze helpt, ze hoopt, ze blijft moedig doorgaan. Als lezer word je niet opgezadeld met allerhande emoties, overdenkingen, gejeremieer en andere introspecties, maar gewoon met wat het is, geobserveerd door het kind.
Instinctief zou je zeggen: dóé er iets aan, rammel die ouders door elkaar, word boos, red jezelf in ieder geval! Maar zo simpel is dat niet, ben ik bang. Ik denk het te herkennen, het door blijven gaan, blijven hopen, blijven liefhebben, blijven treuren, en daarbij jezelf vergeten. Een ouder-kindrelatie is tomeloos complex, daar komt weinig ratio bij kijken als het erop aankomt.
Vooral het gedrag van de moeder vind ik soms op het beangstigende af herkenbaar: het verzamelen van prullaria, het constant proberen te normaliseren van de situatie, door eigen problematiek het kind vergeten, de constructie van eigen werkelijkheden om de problematiek van het leven voor te vervangen, en de vele ruzies met de omgeving vanwege die botsing tussen eigen en echte werkelijkheid.
Ook herkenbaar is de impact die zulke relaties hebben op jezelf. Want zolang je zelf overeind kunt blijven staan, en het probleem van de ander groter is dan van jezelf, dan blijf je doorgaan. Pas daarna (of als je tussentijds instort) kom je erachter wat het met je doet, welke schade er is aangedaan, en hoeveel moeite het kost om daar iets bij jezelf van te herstellen.
Van der Heiden schrijft ook heel aantrekkelijk. Door het gebrek aan emoties, mijmeringen en zijpaden ga je in een moordtempo door de kleine 200 pagina's, terwijl het proza zelf voldoende van vet ontdaan is om de eeuwige valkuil van de reeks oneindige metaforen te voorkomen.
Toch is niet alles goed aan dit boek. Zo voelen de problemen in Noors eigen leven eerder instrumenteel dan echt. Van het kotsen bij een onenightstand in Spanje tot het verkeerd inparkeren op haar werk als autoverkoper: ik snap welk punt ze wil maken, maar het komt nogal potsierlijk en gezocht over. Werk het dan uit, denk ik dan, ga dieper in dat eigen leed zitten, maak duidelijk welke schade er is aangedaan, en maak er niet een inwisselbaar neveneffect van.
Ook raakte ik soms de draad kwijt in de chronologie. Van der Heiden springt nogal door de tijden heen, waardoor ik soms niet meer zeker weet in welk hier en nu we zitten.
En als laatste kritiekpunt: het einde. Ik weet, 2 dagen na dichtklappen van het boek, namelijk niet meer hoe het afliep. Blijkbaar was het niet heel spectaculair of onvermijdelijk.
(ik heb het even opgezocht, en nee, het einde komt inderdaad vrij willekeurig op me over, en dat is jammer)
Maar goed. De kern van het verhaal is de band tussen een kind en de ouders, en die kern werkt -
zeker als de situatie herkenbaar voor je is - heel erg goed.